Zoeken
  1. Afdeling maakt wederom korte metten met oneigenlijke Wob-verzoeken

Afdeling maakt wederom korte metten met oneigenlijke Wob-verzoeken

Op 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:413) bepaalde de Afdeling dat het gebruik van de Wob, met als uitsluitend doel het incasseren van dwangsommen en/of een proceskostenveroordeling, onder omstandigheden ‘misbruik van bevoegdheid’ kan opleveren in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bestuursorganen lijken sindsdien dankbaar gebruik te maken van deze mogelijkheid om oneigenlijke Wob-verzoeken buiten de deur te houden, sinds de uitspraken van 19 no...
Artikel | 10 juli 2017 | Roos Molendijk
Op 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:413) bepaalde de Afdeling dat het gebruik van de Wob, met als uitsluitend doel het incasseren van dwangsommen en/of een proceskostenveroordeling, onder omstandigheden ‘misbruik van bevoegdheid’ kan opleveren in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bestuursorganen lijken sindsdien dankbaar gebruik te maken van deze mogelijkheid om oneigenlijke Wob-verzoeken buiten de deur te houden, sinds de uitspraken van 19 november regent het dan ook uitspraken over misbruik. Al eerder schreef ik een blog over de relevante feiten en omstandigheden die een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik. Ook in de twee Afdelingsuitspraken die ik hieronder bespreek, was misbruik aan de orde.

Wat was er aan de hand?

In de eerste hier te bespreken uitspraak van 28 juni diende X een verzoek om informatie in bij de gemeente Koggeland in het kader van een onderzoek naar de handelwijze van Wob-repeatplayers. In bezwaar, beroep en hoger beroep werd X bijgestaan door een gemachtigde. Deze gemachtigde heeft in bezwaar en beroep verzocht om vergoeding van proceskosten of een veroordeling daartoe.

De gemeente stelde zich op het standpunt dat X misbruik maakte van recht. Uit niks zou blijken dat X bezig zou zijn met het schrijven van een boek, het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures zou dan ook niet bijdragen aan het verkrijgen van informatie. Ook uit de werkwijze van de gemachtigde van X bleek volgens de gemeente een eigen belang van deze gemachtigde, nu hij (onder meer) namens X zelf Wob-verzoeken bij veel Nederlandse gemeenten had ingediend. Ten slotte waren volgens de gemeente machtigingen overgelegd die niet waren ondertekend en in algemene bewoordingen waren geformuleerd.

Hoewel de gemeente bij de rechtbank nul op rekest kreeg, werd zij door de Afdeling in het gelijk gesteld. Volgens de Afdeling was sprake van misbruik. De Afdeling overwoog dat in eerdere Wob-procedures waarbij X en diens gemachtigde waren betrokken, al was geoordeeld dat er sprake was van misbruik van recht. De motivering die in deze procedures ten grondslag was gelegd aan dit oordeel, nam de Afdeling in de uitspraak van 28 juni jl. over. Reden hiervoor was dat het in beide procedures om hetzelfde Wob-verzoek ging, dat in dezelfde periode bij alle Nederlandse gemeenten, ministeries en waterschappen was ingediend. Bij de beoordeling of sprake was van misbruik, achtte de Afdeling onder meer relevant dat de Wob-verzoeken onnodig ruim en vaag waren geformuleerd, dat de adressering vaak niet klopte en dat ingebrekestellingen waren gestuurd aan gemeenten die ten tijde van die ingebrekestellingen nog geen Wob-verzoeken hadden ontvangen. De Afdeling concludeerde dat het X en zijn gemachtigde niet ging om het verrichten van onderzoek, maar om het incasseren van proceskosten ten laste van de overheid. Aldus gebruikten zij de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven zodanig, dat volgens de Afdeling sprake was van misbruik van recht.

Uitspraak nummer 2: wederom misbruik van recht

Ook in de tweede uitspraak van 28 juni die ik hier bespreek, kwam de Afdeling tot de conclusie dat er sprake was van misbruik van recht. In deze zaak hadden appellant A en appellant B op grond van de Wob de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) verzocht de metagegevens te verstrekken van de door hen van de CVOM ontvangen brieven. De minister weigerde de stukken te verstrekken, (onder meer) omdat de indiener van de Wob-verzoeken, persoon C, geen machtiging had overgelegd waaruit zijn bevoegdheid zou blijken om voor beide appellanten Wob-verzoeken in te dienen.

De rechtbank oordeelde dat de door C overgelegde machtigingen voldoende specifiek waren om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen en dat de minister de gemaakte bezwaren ten onrechte (wegens misbruik van recht) niet-ontvankelijk had verklaard. De minister was echter van oordeel dat de rechtbank de beroepen wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

De Afdeling was het met de minister eens. Appellanten hadden als oogmerk de besluitvorming naar aanleiding van de ingediende Wob-verzoeken ernstig te compliceren en vertragen, met als motief het incasseren van dwangsommen en proceskostenvergoedingen. Aan dat oordeel legde de Afdeling ten grondslag dat C als rechtsbijstandverlener veel procedures over Wob-verzoeken voerde, waarbij hij veelvuldig gebruik maakte van zeer algemeen geformuleerde machtigingen. Van dergelijke machtigingen had C ook in deze procedures gebruik gemaakt. Ook nadat in de bezwaarfase om een specifiekere machtiging was verzocht, werd door C opnieuw een zeer algemeen geformuleerde machtiging overgelegd.

Kortom…

Uit de twee uitspraken die ik hierboven besprak, blijkt dat het bij de beoordeling van mogelijk misbruik van recht gaat om een combinatie van factoren. Zo kunnen het procesgedrag van een gemachtigde of een zeer algemeen geformuleerde machtiging onder omstandigheden een aanwijzing voor misbruik van recht zijn.

Heeft u vragen over de Wet openbaarheid van bestuur? Neem dan gerust contact op met Roos Molendijk