Zoeken
  1. De belangrijkste wijzigingen per 1 juli 2014 ingevolge het Wetsvoorstel Werk en Zekerheid (1)

De belangrijkste wijzigingen per 1 juli 2014 ingevolge het Wetsvoorstel Werk en Zekerheid

Het Wetsvoorstel Werk en Zekerheid heeft al vele pennen in beweging gebracht. Op dit moment is het wetsvoorstel in behandeling bij de Eerste Kamer en zal op korte termijn duidelijk worden of het wetsvoorstel de eindstreep haalt.Wordt het wetsvoorstel door de Eerste Kamer aangenomen (en daar ziet het naar uit), dan treden de eerste wijzigingen al met ingang van 1 juli aanstaande in werking. De hoogste tijd om in dit artikel de belangrijkste wijzingen per 1 juli voor u op een rijtje te zetten.1...
Artikel | 15 april 2014 | Anique Sauvé

Het Wetsvoorstel Werk en Zekerheid heeft al vele pennen in beweging gebracht. Op dit moment is het wetsvoorstel in behandeling bij de Eerste Kamer en zal op korte termijn duidelijk worden of het wetsvoorstel de eindstreep haalt.


Wordt het wetsvoorstel door de Eerste Kamer aangenomen (en daar ziet het naar uit), dan treden de eerste wijzigingen al met ingang van 1 juli aanstaande in werking. De hoogste tijd om in dit artikel de belangrijkste wijzingen per 1 juli voor u op een rijtje te zetten.


1.       De proeftijd


In een contract voor bepaalde tijd met een duur van zes maanden of korter, is het niet langer toegestaan om daarin een proeftijd overeen te komen. Doet een werkgever dat toch, dan is het beding nietig en kan hij zich daarop niet beroepen.


2.       Het concurrentiebeding


Ten aanzien van het concurrentiebeding geldt dat het overeenkomen van een dergelijk beding in een contract voor bepaalde tijd in beginsel niet meer is toegestaan. Ik schrijf ‘in beginsel’ want op deze regel bestaat een uitzondering voor die tijdelijke contracten waarin het opnemen een concurrentiebeding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Meent de werkgever dat het opnemen van een concurrentiebeding vanwege deze belangen noodzakelijk is, dan dient hij dit in het beding te motiveren. De werkgever dient derhalve te motiveren welke bedijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom deze belangen in dit geval een concurrentiebeding vereisen. Een concurrentiebeding zonder motivering is nietig.


Is wel een motivering opgenomen maar meent de werknemer dat deze motivering niet steekhoudend is of niet (langer) van toepassing, dan kan hij zich tot de rechter wenden met het verzoek het beding te vernietigen. Ook kan de werknemer zich tot de rechter wenden indien hij meent dat hij door het beding onbillijk wordt benadeeld ten opzichte van het belang van de werkgever bij handhaving van het beding.


3.       De aanzegplicht


Een andere wijziging die per 1 juli aanstaande in werking treedt is de zogenaamde aanzegplicht. Sluit een werkgever met een werknemer een tijdelijk contract van zes maanden of langer, dan is de werkgever verplicht om uiterlijk één maand voor het aflopen van dit contract aan de werknemer te laten weten of hij het contract wel of niet voortzet én als hij het contract voortzet, onder welke voorwaarden hij het contract zal voortzetten. Bij het niet naleven van deze verplichting is de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd ter hoogte van één maandsalaris. Komt de werkgever deze verplichting wel na maar niet tijdig (bijvoorbeeld 2 weken voor het aflopen van het contract), dan is hij een vergoeding naar rato verschuldigd.


4.       Oproepcontracten


Op grond van het huidige artikel 7:628 BW kan gedurende de eerste zes maanden van het oproepcontract de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever worden uitgesloten wanneer het niet werken van de oproepkracht voor rekening van de werkgever komt. Bij cao kan deze uitsluitingstermijn van zes maanden onbeperkt worden verlengd. De regering meent dat hierdoor oneigenlijk gebruik van oproepcontracten kan worden gemaakt. Om dit oneigenlijke gebruik tegen te gaan, wordt de mogelijkheid om bij cao van deze zes maanden termijn af te wijken per 1 juli fors beperkt. De regering beoogt met deze wijziging het gebruik van oproepcontracten langer dan zes maanden tegen te gaan. Of deze wijziging daadwerkelijk het beoogde effect zal hebben, vraag ik me echter sterk af.


Daarnaast is de regering voornemens om, op voordracht van een voorstel van de Stichting van de Arbeid, per 1 juli een verbod op oproepcontracten in de zorg in te voeren. Aan dit voornemen is voor zover mij bekend echter nog geen handen en voeten gegeven zodat het thans onduidelijk is of, en zo ja, in welke vorm, het verbod per 1 juli wordt ingevoerd.


Afronding


Bovengenoemde wijzingen treden in werking per 1 juli aanstaande (ervan uitgaande dat het wetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt aangenomen). Dit betekent dat op (tijdelijke) arbeidsovereenkomsten die worden aangegaan of verlengd op of na 1 juli 2014, het nieuwe recht van toepassing is. Voor de aanzegplicht geldt dat deze plicht ook op lopende tijdelijke contracten van toepassing wordt voor zover deze contracten op of na 1 augustus 2014 van rechtswege eindigen.