Zoeken
  1. De bestuursrechter vs. de civiele rechter: hoe moet de knip van artikel 8:89 lid 2 Awb worden uitgelegd?

De bestuursrechter vs. de civiele rechter: hoe moet de knip van artikel 8:89 lid 2 Awb worden uitgelegd?

Op 2 augustus 2017 heeft de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) uitspraak gedaan over de afbakening van de bevoegdheid tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter bij een verzoek om schadevergoeding. Lees meer…De Afdeling zag zich in deze zaak voor de vraag gesteld of zij bevoegd was kennis te nemen van een schadevergoedingsverzoek, waarbij de gevraagde vergoeding weliswaar tot € 25.000,00 was beperkt, maar voorafgaand aan de ind...
Artikel | 08 september 2017 | Roos Molendijk
Op 2 augustus 2017 heeft de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) uitspraak gedaan over de afbakening van de bevoegdheid tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter bij een verzoek om schadevergoeding. Lees meer…

De Afdeling zag zich in deze zaak voor de vraag gesteld of zij bevoegd was kennis te nemen van een schadevergoedingsverzoek, waarbij de gevraagde vergoeding weliswaar tot € 25.000,00 was beperkt, maar voorafgaand aan de indiening van het verzoek duidelijk was dat de schadevergoeding dit bedrag zou overstijgen.

In het kort: de 'knip' in de regeling over schadevergoeding in art. 8:89 lid 2

Artikel 8:89 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een bevoegdheidsverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter bij schadevorderingen ter zake van onrechtmatig bestuurshandelen als bedoeld in art. 8:88 Awb. Een verwijzing naar de schadezaken behorend tot de exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter is opgenomen in het eerste lid van art. 8:89 Awb (e.g. socialezekerheidszaken, belastingzaken). Het tweede lid van dit artikel bepaalt vervolgens dat de burgerlijk rechter exclusief bevoegd is als de gevorderde schadevergoeding inclusief rente meer dan € 25.000 bedraagt. Is het gevorderde bedrag lager dan de genoemde € 25.000, dan kan ofwel een verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter worden gestart ofwel een vordering uit onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Om gelijktijdige procedures te vermijden, is het na het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter niet mogelijk om de bestuursrechtelijke weg te bewandelen. Wanneer de weg naar de bestuursrechter is gekozen, is de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk zolang de procedure bij de bestuursrechter aanhangig is. Na het einde van de bestuursrechtelijke procedure herleeft de mogelijkheid om zich tot de burgerlijke rechter te wenden. Dit is van belang omdat de uiteindelijke schade hoger kan zijn dan in de bestuursrechtelijke procedure aan de orde kan komen. Aan het oordeel van de bestuursrechter over de bij hem gevorderde schade is de burgerlijke rechter dan wel gebonden (zie de Memorie van Toelichting bij de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Kamerstukken II, 32621, nummer 3, p. 49).

Kern van het geschil

De casus die aanleiding was voor deze uitspraak was als volgt. Appellant, exploitante van een nabij de A1 gelegen reclamemast, heeft op 13 juni 2016 een verzoek ingediend bij de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van schade die zij lijdt en zal lijden als gevolg van het in 2014 vastgestelde Tracébesluit A1 Bunshoten-Hoevelaken. Omdat de reclamemast volgens appellant minder goed zichtbaar is als gevolg van de in dit Tracébesluit voorziene wegwerkzaamheden, stelt zij schade te hebben geleden in de vorm van inkomensderving en extra kosten. Hoewel appellant betoogt dat haar schade € 165.886,00 bedraagt, beperkt zij haar verzoek tot € 25.000. Zij heeft zich het recht voorbehouden om voor de schade die boven dit bedrag uitstijgt een vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter in te stellen.

Volgens de minister is deze strategie in strijd met de bedoeling van de wetgever om te komen tot een doelmatige en efficiënte afhandeling van geclaimde schades, nu vanaf het begin al duidelijk is dat het schadebedrag de € 25.000 overstijgt. Zijns inziens is met artikel 8:89 Awb aangesloten bij de regeling van artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). De aansluiting bij deze regeling leidt er volgens de minister toe dat de bestuursrechter alleen bevoegd is kennis te nemen van het verzoek als appellant uitdrukkelijk afstand zou hebben gedaan van haar aanspraak op het bedrag boven de € 25.000. Alleen als tijdens of na afloop van de procedure bij de bestuursrechter blijkt dat de schade meer is dan € 25.000,00, kan de weg naar de burgerlijke rechter worden bewandeld.

Oordeel Afdeling: bestuursrechter is bevoegd

Na een uiteenzetting van de geldende bevoegdheidsverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter (zie r.o. 9.3 van de uitspraak), komt de Afdeling tot de conclusie dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het door appellant ingediende verzoek om schadevergoeding. De Afdeling overweegt dat de in het verzoekschrift gevraagde vergoeding bepalend is voor het antwoord op de vraag of de bestuursrechter (al dan niet) bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Afgezien van het drempelbedrag van € 25.000, dat identiek is aan het in artikel 93 Rv opgenomen drempelbedrag, is de regeling van Rv naar het oordeel van de Afdeling niet van overeenkomstige toepassing. Uit de tekst van titel 8.4 (schadevergoeding) kan verder niet worden afgeleid dat de bestuursrechter alleen de bevoegdheid zou hebben om een bestuursorgaan tot schadevergoeding te veroordelen als uitdrukkelijk afstand is gedaan van de gepretendeerde aanspraak op het meerdere van € 25.000. Appellant kon in dit geval dus gewoon haar verzoek bij de bestuursrechter indienen.

Voor het aannemen van de bevoegdheid van de bestuursrechter is ook niet vereist dat reeds vast staat dat de gestelde schadeoorzaak (in dit geval het Tracébesluit) als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De vraag of de door verzoeker gestelde schadeoorzaak jegens verzoeker als onrechtmatig moet worden aangemerkt, komt aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, en aan die beoordeling kan pas worden toegekomen, als de bestuursrechter daadwerkelijk bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en het verzoek ontvankelijk is.

 

Heeft u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen? Neem dan gerust contact op met Hanna Zeilmaker, Joske Hagelaars of Roos Molendijk