Zoeken
  1. De verplichting om grensoverschrijdende facturen uitsluitend in een bepaalde taal op te stellen is in strijd met het Unierecht

De verplichting om grensoverschrijdende facturen uitsluitend in een bepaalde taal op te stellen is in strijd met het Unierecht

Recent werd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof van Justitie”) de vraag voorgelegd of een wettelijke taal-eis aan facturen in strijd is met het Unierecht, en dan met name met de regels inzake het vrije verkeer van goederen (Hof van Justitie 21 juni 2016, C-15/15 (New Valmbar BVBA/Global Pharmacies Partner Health Srl).Het volgende was aan de orde. New Valmar, een op het Nederlandse taalgebied van België gevestigde onderneming sloot in 2010 een concessieovereenkomst met de Itali...
Artikel | 08 september 2016 | Lotte te Linde
Recent werd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof van Justitie”) de vraag voorgelegd of een wettelijke taal-eis aan facturen in strijd is met het Unierecht, en dan met name met de regels inzake het vrije verkeer van goederen (Hof van Justitie 21 juni 2016, C-15/15 (New Valmbar BVBA/Global Pharmacies Partner Health Srl).

Het volgende was aan de orde. New Valmar, een op het Nederlandse taalgebied van België gevestigde onderneming sloot in 2010 een concessieovereenkomst met de Italiaanse onderneming GPPH. Overeengekomen werd dat GPPH werd aangesteld als exclusieve concessiehouder van New Valmar in Italië voor de distributie van kinderartikelen. New Valmar heeft eind 2011 de door Italiaans recht beheerste overeenkomst voortijdig beëindigd en vordert vervolgens voor de rechter dat GPPH wordt veroordeeld tot betaling van een aantal onbetaalde facturen. Al deze facturen waren in het Italiaans opgesteld.

Als verweer roept GPPH dat zij niet gehouden is de facturen te betalen. Een Vlaamse regeling bepaalt namelijk dat de in het Nederlandse taalgebied van België gevestigde ondernemingen onder meer de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden in het Nederlands moeten opstellen. Stukken of handelingen, die in strijd met deze taal-eis worden opgesteld, zijn volgens de Vlaamse regeling nietig. De betreffende facturen zijn volgens GPPH in strijd met deze regeling, aangezien nagenoeg alle informatie op de facturen met inbegrip van de algemene voorwaarden in een andere taal dan het Nederlands, namelijk het Italiaans door New Valmar is weergegeven.

Binnen de Europese Unie geldt het zogenoemde vrij verkeer van goederen. Dit brengt met zich dat regelgeving van een lidstaat de handel binnen de Europese Unie niet mag belemmeren. Naar aanleiding van de besproken Vlaamse regeling werd door de Belgische rechter aan het Hof van Justitie de vraag gesteld of de verplichte taal-eis voor ondernemingen een ontoelaatbare belemmering van het Europese handelsverkeer vormt.

Opvatting van het Hof van Justitie
Volgens het Hof van Justitie wordt met de taal-eis uit de Vlaamse regeling internationale handelspartners de mogelijkheid ontnomen voor hun facturen vrij een taal te kiezen die zij beiden beheersen. De taal, die door de taal-eis wordt voorgeschreven, kan immers verschillen van de taal die partijen hebben gekozen voor hun contractuele verhoudingen.

Het opleggen van een taal-eis aan facturen kan volgens het Hof van Justitie bovendien het risico op betwisting en niet-betaling van facturen verhogen. Ontvangers van facturen kunnen zich mogelijk aangespoord voelen zich te verzetten tegen betaling door aan te voeren dat zij in de onmogelijkheid zijn om de inhoud van de factuur te begrijpen. Zelfs wanneer de factuur is opgesteld in een taal die de debiteur wel begrijpt, kan hij de geldigheid van een factuur betwisten als die is opgesteld in een andere taal dan die de wet voorschrijft. Het risico op betwisting en niet-betaling van facturen neemt volgens het Hof van Justitie een bepaalde rechtsonzekerheid mee die het handelsverkeer kan beperken. Dit brengt het Hof tot het oordeel dat sprake is van belemmering van het vrij verkeer van goederen.

Onder bepaalde voorwaarden kan een belemmering van het vrij verkeer toelaatbaar zijn. De beperkende maatregel moet dan wel geschikt en noodzakelijk zijn om een algemeen belang na te streven. De Vlaamse taal-eis diende om het gebruik van de officiële taal te stimuleren en de doeltreffendheid van de controle op de btw te waarborgen. Volgens het hof was de taal-eis gezien deze doelstelling niet noodzakelijk. Volgens het hof kan namelijk ook in de doeltreffendheid van de fiscale controles worden voorzien door een regeling die niet alleen voorschrijft dat zijn officiële taal moet worden gebruikt, maar bovendien voorziet in de mogelijkheid om daarnaast een rechtsgeldige versie van facturen op te stellen in een door beide partijen begrepen en erkende taal.

Gevolgen voor in Nederland gevestigde ondernemers
De Nederlandse wetgeving verplicht in Nederland gevestigde ondernemers niet –zoals in België-om facturen uitsluitend in het Nederlands op te stellen. Wel mag de belastinginspecteur, indien hij dit noodzakelijk acht, verzoeken om een Nederlandse vertaling van facturen. Dit mag hij echter alleen indien de prestaties voor de btw in Nederland hebben plaatsgevonden of de factuur wordt ontvangen door een in Nederland gevestigde onderneming. Ook na het arrest van het Hof van Justitie mag de inspecteur om een Nederlandse vertaling van facturen blijven verzoeken. Voor de Nederlandse ondernemer heeft de uitspraak van het Hof van Justitie dan ook niet direct grote gevolgen.

Wel is nu door de Europese rechter bevestigd dat een taal-eis het vrije verkeer van goederen belemmert. Indien een Nederlandse onderneming handelt met een onderneming uit een EU-land, waar men een taal-eis aan facturen stelt, dient zij in aldus -onder normale omstandigheden- de facturen te betalen, ook als deze in een andere voor beide partijen begrijpelijke taal zijn opgesteld.

Conclusie
Ondernemingen die in een EU-land gevestigd zijn waar wet- of regelgeving bepaalt dat grensoverschrijdende facturen uitsluitend in de taal van het land van vestiging mogen worden opgesteld, krijgen in het vervolg de mogelijkheid dergelijke facturen ook op te stellen in een andere taal. Wel moeten beide partijen deze taal dan begrijpen. Lidstaten mogen daarnaast wel de eis blijven stellen dat een vertaling in de taal van het land van vestiging wordt opgesteld bijvoorbeeld ten behoeve van de fiscale wetgeving.