Zoeken
  1. De verzekeringsrechtelijke sanctie bij fraude. Ook in te roepen tegen een frauderend letselschadeslachtoffer?

De verzekeringsrechtelijke sanctie bij fraude. Ook in te roepen tegen een frauderend letselschadeslachtoffer?

Als een verzekeringnemer fraudeert, loopt hij het risico dat zijn recht op uitkering komt te vervallen. Artikel 7:941 lid 5 BW biedt die mogelijkheid. Over de vraag of een dergelijke sanctie ook kan worden ingeroepen tegen anderen dan een verzekeringnemer, zoals een frauderend letselschadeslachtoffer, zijn de meningen verdeeld, mede vanwege de nog weifelende jurisprudentie daarover. Met het recente arrest van het gerechtshof Den Bosch is daar verandering in gekomen.
Artikel | 13 april 2018 | Peter van Huizen

De rechtbanken Rotterdam en Amsterdam hadden zich al eens voorzichtig uitgelaten over deze kwestie. De rechtbank Rotterdam lijkt de mogelijkheid open te houden:

 

“Voor het aannemen van de zware sanctie van het verval van uitkering (= het recht op schadevergoeding) in een situatie als de onderhavige waar sprake is van een niet-contractuele relatie, dienen naar het oordeel van de rechtbank meer en andere relevante feiten of omstandigheden te worden gesteld om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Eiser ondanks de gepleegde fraude alsnog recht zou hebben op vergoeding van de werkelijke schade”.

 

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat (analoge) toepassing van artikel 7:941 lid 5 BW niet mogelijk is:

 

"Bij de beoordeling van dit verweer van Allianz is van belang dat zij niet de contractuele wederpartij van eisers is, maar slechts de WAM-verzekeraar van de jegens eisers uit onrechtmatige daad aansprakelijke partij. Naar het oordeel van de kantonrechter is (analoge) toepassing van artikel 7:941 lid 5 BW niet mogelijk."

 

In zijn arrest van 5 december 2017 oordeelde het gerechtshof daarentegen dat toepassing wél mogelijk is:

 

“Het Hof stelt voorop dat een beroep op artikel 7:941 lid 5 BW ook mogelijk is in gevallen waarin een derde-benadeelde een uitkering op grond van de WAM claimt (zie onder meer GC Kifid 2009/54 en GC Kifid 2010/1999).”

 

Dit oordeel is van belang voor de praktijk omdat het een handvat biedt bij het beantwoorden van de vraag of artikel 7:941 lid 5 BW kan worden ingeroepen tegen anderen dan de verzekeringnemer. Het artikel is immers geschreven voor de verhouding tussen een verzekeraar en de verzekeringnemer. Dat is een contractuele verhouding. Maar soms zijn er ook anderen dan de contractuele verzekeringnemer die een direct beroep kunnen doen op diens verzekering. Te denken is dan aan de derde-benadeelde in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM). Met een derde-benadeelde wordt bijvoorbeeld een slachtoffer van een verkeersongeval bedoeld. Die derde-benadeelde kan direct de aansprakelijkheidsverzekeraar van de aansprakelijke partij aanspreken ter vergoeding van zijn schade.

 

Als die derde-benadeelde fraudeert, dan kan er behoefte bestaan om een sanctie op te leggen. Anders zou men zonder risico kunnen (proberen te) frauderen. Immers, indien de fraude niet slaagt, dan zal nog steeds recht bestaan op vergoeding op de werkelijk geleden schade. Dit kan als onrechtvaardig worden beschouwd.

 

Om die reden heeft het klachteninstituut voor financiële dienstverleners (Kifid) enkele jaren geleden al geoordeeld dat een sanctie zoals bedoeld in artikel 7:941 lid 5 BW ook kan worden ingeroepen tegen een derde-benadeelde. Dit zijn de uitspraken waar het gerechtshof Den Bosch naar verwijst in het bovenstaand citaat uit zijn recente arrest.

 

Het Kifid heeft in die uitspraken bedoeld dat op grond van artikel 6:2 BW (de redelijkheid en billijkheid) ook jegens een derde benadeelde een sanctie kan worden opgelegd zoals bedoeld in artikel 7:941 lid 5 BW. Dat is strikt genomen iets anders dan het daadwerkelijk toepassen van artikel 7:941 lid 5 BW, maar het heeft hetzelfde effect (omdat artikel 7:941 lid 5 BW dus eigenlijk niet is geschreven voor de verhouding tussen de verzekeraar en de derde benadeelde, terwijl die verhouding wel door artikel 6:2 wordt beheerst).

 

Het gerechtshof Den Bosch lijkt nu dus te hebben geoordeeld dat ook het direct toepassen van artikel 7:941 lid 5 BW op de verhouding tussen een verzekeraar en een derde benadeelde mogelijk is. Daarnaast blijft het uiteraard mogelijk om op grond van artikel 6:2 BW jegens een benadeelde een beroep te doen op een sanctie zoals bedoeld in artikel 7:941 lid 5 BW.

 

Overigens hoeft het niet altijd geheel verval van het recht op uitkering te betreffen. In gevallen waarin dat redelijker is zal ook een gedeeltelijk verval mogelijk zijn.

 

Het zal afwachten zijn of dit oordeel van het gerechtshof Den Bosch navolging zal vinden.