Zoeken
  1. Dekking onder CAR-verzekering voor scheurvorming in laswerk: ooit goed geweest

Dekking onder CAR-verzekering voor scheurvorming in laswerk: ooit goed geweest

Tegenstrijdige rapporten, maar rechtbank oordeelt dat laswerk ooit goed is geweest en door ontwerpfout in combinatie met toegepaste lastechniek beschadigd is geraakt, dus dekking onder CAR
Artikel | 02 november 2018 | Annet van Duijn

Inleiding

 

In dit recent gepubliceerde vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 11 juli 2018 is geoordeeld dat CAR-verzekeraars dekking dienen te verlenen voor schade als gevolg van scheurvorming in het laswerk van zogenoemde skidbeams: schuifbalken waarover constructies en installaties op werkschepen of pontons kunnen worden geschoven.

 

De discussie tussen verzekerde ASK Beton en CAR-verzekeraars spitste zich toe op de vraag of het laswerk ooit goed was geweest en nadien beschadigd is geraakt, dan wel of sprake was van al van aanvang af aanwezige lasfouten.

Verder kwam de vraag aan de orde of de lassen ooit hun functie hadden kunnen vervullen, gelet op de ontwerpfout in de skidbeams, waarbij de rechtbank ook heeft stilgestaan bij het onzekerheidsvereiste van artikel 7:925 BW.

Tot slot werd beoordeeld wat de consequentie was van het feit dat de door CAR-verzekeraars ingeschakelde expert zich niet persoonlijk heeft kunnen vergewissen van de gestelde scheurvorming, omdat de herstelwerkzaamheden reeds waren voltooid toen hij ter plekke kwam.

 

Feiten, onderzoeken en getuigenverklaringen

 

ASK Beton heeft in opdracht van ERS acht skidbeams vervaardigd. Het ontwerp was afkomstig van ERS. In gezamenlijk overleg hebben zij de toe te passen lasmethode om de stalen onderdelen aan elkaar te verbinden, vastgesteld.

 

Tijdens het bouwproces is de keuringsmethode NDO – gebruikelijk in de offshore branche – aangehouden voor het beoordelen van het laswerk. Daartoe heeft ASK Beton het bedrijf QIS ingeschakeld. Zij hebben de lassen met behulp van de ultrasoon techniek gecontroleerd, steeds ten minste 48 uur nadat het laswerk voltooid was.

Tijdens deze ND-controle is een deel van de lassen afgekeurd en hersteld.

Uiteindelijk heeft QIS twee skidbeams volledig goedgekeurd en zijn die uitgeleverd aan ERS.

 

ERS heeft een ingangscontrole uitgevoerd en daarbij ‘indicaties’ geconstateerd: onregelmatigheden in de lassen die wijzen op een gebrek in de las, welk gebrek verschillende oorzaken kan hebben. De twee skidbeams zijn teruggebracht naar ASK Romein en daar heeft QIS opnieuw onderzoek uitgevoerd.

 

Ook QIS heeft indicaties gevonden en gerapporteerd dat er in diverse lassen scheuren (cracks) zijn aangetroffen, steeds op een diepte van 18-25 mm.

 

Uit de getuigenverklaringen van medewerkers van QIS blijkt dat zij, toen ook zij indicaties hadden aangetroffen nadat de skidbeams retour waren gekomen, een aantal lassen hebben opengeslepen/open gegutst, alsmede opnieuw ultrasoon onderzoek hebben uitgevoerd. Op basis van zowel visuele waarnemingen van de lassen als de scherpe afwijkingen uit de ultrasone tests heeft QIS geconcludeerd dat scheurvorming de enige mogelijk oorzaak van de indicaties was.

 

Element heeft vervolgens onderzoek gedaan aan twee proefstukken van het laswerk.

Element heeft geen scheurvorming in de twee proefstukken aangetroffen.

Element constateerde dat als gevolg van een relatief grote vooropening, de grondnaad (de eerste las) relatief ver is uitgestulpt/uitgezakt. Tussen de druppelvormige uitstulping en het aangrenzende schot ontstond daardoor een naad.

 

Omdat vermoed werd dat die naad bij ultrasoon onderzoek wel eens aangezien zou kunnen worden voor scheurvorming is nader onderzoek uitgevoerd door Applus RTD. Volgens dat bureau was bij de onderhavige lassen het stellen van een eenduidige diagnose op basis van ultrasoon onderzoek volgens de methode NDO niet mogelijk.

 

De door CAR-verzekeraars benoemde expert heeft daaraan de conclusie verbonden dat niet is uit te sluiten dat de naden bij de interpretatie van de ultrasoonmetingen door QIS zijn aangezien voor scheuren.

 

QIS heeft de bevindingen van Applus RTD weersproken en opnieuw aangegeven op basis van welke gegevens zij tot de diagnose scheurvorming is gekomen.

Vervolgens heeft DEKRA gerapporteerd dat het met de methode NDO wel degelijk mogelijk is zowel de lassen als het type fout in die lassen te karakteriseren.

 

Als laatste heeft het Belgisch Instituut voor Lastechniek gerapporteerd dat koudscheuren weliswaar een veel voorkomend verschijnsel zijn en zelfs nog kunnen optreden enkele dagen nadat de lasverbinding is gelast, maar dat in het onderhavige geval er een minimaal risico was op het ontstaan van koudscheuren.

Het BIL onderschrijft de bevindingen van Element, gaat ervan uit dat de aangetroffen indicaties niet zijn ontstaan door koudscheuren, maar er met name sprake is geweest van doorlassing en bindingsfouten.

Volgens het BIL kunnen beide lasfouten worden verklaard door het feit dat de las enkelzijdig moest worden uitgevoerd omdat de las niet toegankelijk was langs de andere kant.

 

Vordering en verweer

 

ASK Romein heeft bij CAR-verzekeraars aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade als gevolg van de scheurvorming in de lassen. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de lassen materieel beschadigd zijn geraakt in de zin van de CAR-polis.

CAR-verzekeraars hebben zich met name verweerd met de stelling dat de lassen nooit goed zijn geweest.

 

Bewijslastverdeling

 

Het is in beginsel aan de verzekerde ASK Romein om aan te tonen dat zich een verzekerd evenement in de zin van de CAR-polisvoorwaarden heeft voorgedaan.

Het betoog dat een zaak nooit goed is geweest, wordt beschouwd als een verweer, waarvan de bewijslast op de CAR-verzekeraars rust.

De rechtbank heeft bij de bewijslastverdeling niet expliciet stilgestaan, maar de zaak als volgt aangevlogen:

 

Eerst heeft de rechtbank beoordeeld of is komen vast te staan dat de oorzaak van de problemen met de lassen is gelegen in scheurvorming (in tegenstelling tot de door CAR-verzekeraars bepleite lasfouten, waardoor het laswerk nooit goed zou zijn geweest).

Dat heeft de rechtbank op basis van de getuigenverklaringen van de werknemers van QIS aangenomen. De rechtbank hecht doorslaggevende waarde aan het feit dat zij niet alleen ultrasoon onderzoek hebben uitgevoerd waaruit ‘indicaties’ naar voren kwamen die zij op basis van de meetresultaten hebben geïnterpreteerd als scheurvorming, maar vooral ook dat zij vervolgens op de plekken met ‘indicaties’ de lassen hebben opengeslepen en/of open gegutst en toen visueel scheurvorming hebben waargenomen.

 

Vervolgens heeft de rechtbank onderzocht of de rapporten van de door CAR-verzekeraars geraadpleegde deskundigen afdoen aan de getuigenverklaringen en aldus of van het uitgangspunt dat sprake was van scheurvorming, zou moeten worden afgeweken.

 

De rechtbank constateert dat het rapport van Element weliswaar in tegenspraak lijkt met de stellingen van ASK Romein, omdat in de onderzochte proefstukken door Element geen scheuren zijn aangetroffen. De rechtbank neemt die tegenspraak evenwel niet aan, omdat het onderzoek van Element niet was gericht op het vaststellen van scheuren (maar op de oorzaak van die scheuren, want op dat moment was er geen aanleiding om te veronderstellen dat de diagnose ‘scheurvorming’ van QIS niet juist zou zijn). Dat Element bij de proefstukken geen scheurvorming in de lassen heeft waargenomen, betekent dus niet dat de bevindingen van QIS niet juist kunnen zijn.

Omdat de rapporten van de overige deskundigen voortborduren op het rapport van Element en de overige deskundigen geen eigen onderzoek aan de lassen hebben uitgevoerd, wordt daaraan geen doorslaggevende waarde gehecht.

 

Vervolgens gaat de rechtbank in op de oorzaak van de scheurvorming, omdat CAR-verzekeraars hadden gesteld dat zonder deugdelijke technische verklaring niet aannemelijk is dat de lassen die eerst goed en deugdelijk zouden zijn, daarna alsnog zouden kunnen scheuren.

 

Hun eigen expert van het BIL had evenwel gerapporteerd dat zogenoemde koudscheuren veel voorkomen en zelf nog optreden enkele dagen nadat de lasverbinding is gelast, zodat die stelling in zijn algemeenheid niet opgaat.

 

Daarmee is volgens de rechtbank weliswaar nog niets gezegd over de oorzaak van de scheurvorming, maar zij leidt uit de bevindingen van Element af dat die oorzaak vermoedelijk is gelegen in het ontwerp, in combinatie met de keuze voor een bepaalde lastechniek.

 

Ontwerpfout en onzekerheidsvereiste

 

CAR-verzekeraars hebben aangevoerd dat ASK Romein (met haar opdrachtgever) gekozen heeft voor een methode die sowieso nooit een goed resultaat zou hebben kunnen opleveren en dus dat het gebouwde van aanvang af is behept met een gebrek, ook al blijkt dat later pas.

 

Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 27 juni 1997 (NJ 1998, 329 met noot van Mendel) verwerpt de rechtbank dit betoog.

De CAR-verzekering biedt dekking tegen schade ‘hoe ook ontstaan’ en dus ook in geval van ontwerpfouten die tot gevolg hebben dat een, onder toepassing van een juist vakmanschap fout ontwerp, aanvankelijk geen gebreken heeft, maar later alsnog gebreken gaat vertonen.

 

Voor zover het standpunt van CAR-verzekeraars zou moeten worden opgevat als een beroep op het niet voldaan zijn aan het onzekerheidsvereiste van artikel 7:925 BW, houdt dat in rechte evenmin stand. In dit geval wijst niets erop dat ASK Romein wist of redelijkerwijs kon weten dat de te gebruiken lastechniek niet geschikt was. Derhalve waren scheuren niet het vooraf te verwachten gevolg van de toegepaste lastechniek en was het element van onzekerheid volgens de rechtbank aanwezig.

 

Expert van verzekeraars heeft scheurvorming niet zelf waargenomen

 

CAR-verzekeraars hebben erop gewezen dat hun expert niet de gelegenheid heeft gehad zich persoonlijk van de scheurvorming te vergewissen. Toen hij ter plekke kwam, waren de herstelwerkzaamheden al zo ver gevorderd dat er geen scheurvorming meer kon worden waargenomen. Volgens CAR-verzekeraars heeft ASK Romein zich daardoor in de positie gebracht dat zij niet in staat is het verzekerde evenement aan te tonen.

 

Dat standpunt wordt verworpen. De rechtbank is van oordeel dat ASK Romein naar behoren heeft meegewerkt aan de vaststelling van de oorzaak van de schade, behalve dan dat de expert niet de gelegenheid is geboden om de scheurvorming te inspecteren. Volgens de rechtbank kan het bewijs dat er schade is geleden die onder de dekking valt, dus niet op basis van vaststellingen van de expert worden geleverd, maar sluit dat niet uit dat ASK Romein dat bewijs op andere wijze kan leveren.


Verklaring voor recht, maar geen veroordeling tot betaling van een geldsom

 

Opvallend aan het vonnis is dat de rechtbank alleen een verklaring voor recht geeft dat CAR-verzekeraars gehouden zijn alle schade als gevolg van de scheurvorming in de lassen, voor zover gedekt onder de CAR-verzekering, met ASK Romein af te wikkelen.

 

Volgens de rechtbank is het debat over de schadecijfers onvoldoende uitgekristalliseerd, maar is het, met het oog op de kans op hoger beroep, proceseconomisch niet opportuun om partijen in de gelegenheid te stellen om een akte te nemen over de omvang van de schade.

De rechtbank heeft dan ook geen veroordeling tot betaling van (een voorschot op) een uitkering onder de CAR-verzekering toegewezen.

 

De rechtbank had er in mijn ogen ook voor kunnen kiezen om geen eindvonnis, maar een tussenvonnis te wijzen en de zaak te verwijzen voor akte over de schadecijfers, en tussentijds hoger beroep tegen haar vonnis open te stellen.

Nu hangt de veroordeling van CAR-verzekeraars enigszins in het luchtledige.

 

Afronding

 

De discussie of een zaak ‘ooit goed is geweest’ komt veelvuldig voor in dekkingsdiscussies over de CAR-verzekering. Alleen dan kan immers sprake zijn van een materiële beschadiging in de zin van de polis: een objectieve aantasting van de stoffelijke structuur, die naar verkeersopvattingen de stoffelijke gaafheid van de zaak kenmerkt.

 

De rechtbank heeft in het onderhavige geval van doorslaggevende betekenis geacht dat de medewerkers die het laswerk in eerste instantie hadden goedgekeurd, na aflevering aan de klant en geconstateerde ‘inconsistenties’, nader onderzoek hebben gedaan en toen opnieuw visueel en ultrasoon onderzoek hebben verricht op basis waarvan zij tot de diagnose ‘scheurvorming’ zijn gekomen.

Dat vervolgens het ontwerp voor het laswerk is aangepast en de nieuwe uitvoeringswijze niet meer tot problemen in het laswerk hebben geleid, was voor de rechtbank voldoende om te vermoeden dat de oorzaak van de scheurvorming is gelegen in het ontwerp, in combinatie met de keuze voor een bepaalde lastechniek. Hoewel dat niet met zekerheid kon worden gezegd, oordeelde de rechtbank dat, bij het ontbreken van een deugdelijke technische verklaring, het niet zo is dat scheurvorming als oorzaak voor de gebreken aan het laswerk onaannemelijk is. Dat was voor de rechtbank – ondanks de duidelijke contra-indicaties in de rapporten van de andere deskundigen – voldoende om dekking aan te nemen.