Zoeken
  1. Eerste civielrechtelijke bestuursverboden opgelegd en gepubliceerd

Eerste civielrechtelijke bestuursverboden opgelegd en gepubliceerd

Met de invoering van de Wet civielrechtelijk bestuursverbod is per 1 juli 2016 de mogelijkheid gecreëerd om (voormalig) bestuurders van verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, N.V.'s, B.V.'s en stichtingen een bestuursverbod op te leggen voor de maximale duur van vijf jaar. Op 20 september 2018 zijn de eerste twee verboden ingeschreven in het door de Kamer van Koophandel (KvK) bijgehouden register.
Artikel | 21 september 2018 | Bart Jacobs

Het civielrechtelijk bestuursverbod
In een eerder artikel schreef ik al dat het bestuursverbod is ingevoerd om het maatschappelijke probleem van faillissementsfraude aan te pakken. De wetgever wilde faillissementsfraude tegengaan door een breed toepasbaar en relatief eenvoudig op te leggen bestuursverbod mogelijk te maken. Het opleggen van een dergelijk verbod is met het invoegen van de artikelen 106a tot en met 106e in de Faillissementswet (Fw) mogelijk geworden.

Op basis van deze artikelen kan de curator of het Openbaar Ministerie (OM) een bestuursverbod voor ten hoogste 5 jaar vorderen. De vordering kan worden ingesteld tegen de bestuurder van een failliete privaat- of Europeesrechtelijke rechtspersoon. Ook oud-bestuurders en feitelijk beleidsbepalers vallen binnen het bereik van de regeling. Indien de bestuurder van de failliete rechtspersoon zelf een rechtspersoon is, kan in lijn met artikel 2:11 BW worden doorgepakt naar de natuurlijke persoon die daarachter schuilgaat.

Een opgelegd bestuursverbod geldt voor huidige en toekomstige bestuursfuncties. Dat betekent dat de bestuurder door de KvK voor zijn huidige functies wordt uitgeschreven uit het Handelsregister. Daarnaast is het de bedoeling dat het bestuursverbod wordt geregistreerd bij het Handelsregister, zodat toekomstige bestuursfuncties door de betreffende persoon voor de duur van het bestuursverbod niet kunnen worden uitgeoefend.

De gronden voor het vorderen van een civielrechtelijke bestuursverbod
De curator en het OM kunnen sinds 1 juli 2016 in geval van een faillissement een bestuursverbod vorderen op de volgende vijf gronden:

Bestuurdersaansprakelijkheid
Een bestuursverbod kan worden gevorderd in geval van bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW inzake de gefailleerde vennootschap.

Paulianeus handelen
Een bestuursverbod kan eveneens worden gevorderd indien de bestuurder een paulianeuze rechtshandeling heeft verricht, toegelaten of mogelijk heeft gemaakt ten aanzien van een gefailleerde vennootschap.

Informatie- en medewerkingsverplichtingen
Een derde grond voor het vorderen van een bestuursverbod is de schending van de op de bestuurder van de gefailleerde vennootschap rustende informatie- en medewerkingsverplichtingen. De bestuurder moet daarin dan wel in ernstige mate tekortschieten.

Repeterende faillissementen
Daarnaast kan een bestuursverbod worden gevorderd indien de bestuurder tijdens of in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement tweemaal of meer betrokken was bij een faillissement en hem daarvan een persoonlijk verwijt te maken valt.

Vergrijpboetes
De laatste grond voor het vorderen van een bestuursverbod is het feit dat een boete wegens een vergrijp als bedoeld in art. 67d, 67e of 67f AWR is opgelegd en onherroepelijk is. Het gaat steeds om gevallen waarin door opzet of grove schuld van de bestuurder te weinig belasting is opgelegd, geheven, afgedragen of betaald.

Bij de voornoemde gronden geldt dat zowel de eerdere faillissementen als de overige feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag liggen, gelegen moeten zijn in de periode na de inwerkingtreding van artikel 106a Fw.

Civielrechtelijk bestuursverbod & publicatie
Op 13 juni 2018 heeft de Rechtbank Den Haag de eerste civielrechtelijke bestuursverboden opgelegd op grond van vastgestelde bestuurdersaansprakelijkheid. De twee gedaagde bestuurders hebben verstek laten gaan in deze zaak en daarom is nu, drie maanden later en met het verstrijken van de termijn voor hoger beroep, de vaststelling van de bestuurdersaansprakelijkheid door de Rechtbank onherroepelijk geworden. Op grond daarvan is het in hetzelfde vonnis opgelegde bestuursverbod (voor de duur van vijf jaar) in werking getreden.

Bij invoering van de Wet civielrechtelijk bestuursverbod is bepaald dat de Handelsregisterwet 2007 zou worden aangepast zodat het registreren van opgelegde bestuursverboden door de KvK mogelijk wordt. Er was (en is) namelijk nog geen grondslag voor een dergelijke registratie. De aanpassing van de Handelsregisterwet 2007 heeft echter vertraging opgelopen waardoor er juridisch gezien nog geen verboden kunnen worden geregistreerd in het door de KvK inmiddels wel opengestelde register.

De KvK denkt hier kennelijk anders over en heeft de door de Rechtbank Den Haag opgelegde bestuursverboden op 20 september 2018 gepubliceerd. In het kader van de openheid en fraudebestrijding is deze publicatie alleen maar toe te juichen.