De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Het enquêteverzoek: wanneer wijst de Ondernemingskamer het toe?

Het enquêteverzoek: wanneer wijst de Ondernemingskamer het toe?

De Ondernemingskamer wijst een enquêteverzoek toe, wanneer er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken binnen de rechtspersoon te twijfelen. Wanneer is sprake van dergelijke gegronde redenen?
Auteur artikel Tara Hermsen
Gepubliceerd 17 februari 2021
Laatst gewijzigd 17 februari 2021
Leestijd 

De enquêteprocedure bestaat uit twee afzonderlijke verzoekschriftprocedures. In de eerste procedure wordt de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam verzocht een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon in te stellen (het enquêteverzoek). In de tweede procedure wordt de Ondernemingskamer verzocht te oordelen dat uit het verslag van het onderzoek blijkt dat sprake is (geweest) van wanbeleid. In dit artikel wordt stilgestaan bij het enquêteverzoek. De Ondernemingskamer wijst het enquêteverzoek slechts toe, wanneer er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken binnen de rechtspersoon te twijfelen. Wanneer kan van dergelijke gegronde redenen worden gesproken?

Gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen

Gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen zijn er indien de feiten en omstandigheden samen een behoorlijke kans inhouden dat bij nader onderzoek blijkt van onjuist beleid of een onjuiste gang van zaken. Voorbeelden van gegronde redenen om aan een juist beleid juiste of gang van zaken te twijfelen zijn onder meer:

  • Impasse in de besluitvorming in het bestuur en/of de algemene vergadering. Als er door conflicten binnen of tussen de organen van de rechtspersoon sprake is van verlamming in de besluitvorming, kan dit een gegronde reden zijn om te twijfelen aan een juist beleid. Vereist is wel dat de rechtspersoon onbestuurbaar is geworden door de verstoorde verhouding. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er een patstelling bestaat tussen twee aandeelhouders die elk 50% van de aandelen houden, zij beiden bestuurder zijn van de vennootschap en er bovendien geen uitzicht is op herstel van normale verhoudingen.
  • Verstrengeling van belangen door bestuurders, commissarissen en/of aandeelhouders/leden. Indien het belang van de rechtspersoon en de persoonlijke belangen van de organen van de rechtspersoon onvoldoende van elkaar worden gescheiden, kan dit een grond opleveren voor twijfel aan een juist beleid. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een vennootschap een transactie aangaat met een rechtspersoon waarin een bestuurder of commissaris van die vennootschap een persoonlijk materieel financieel belang houdt.
  • Handelen in strijd met de wet en/of statuten. Handelt de rechtspersoon veelvuldig in strijd met de wet of statuten, zoals het niet houden van de algemene vergadering of het niet vaststellen van de jaarrekening, dan kan dit een gegronde reden zijn om te twijfelen aan een juist beleid.
  • Schending van de zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouders. Schendt een vennootschap de zorgplicht die zij jegens haar minderheidsaandeelhouders dient te betrachten, dan kan dit een gegronde reden zijn om te twijfelen aan een juist beleid. Zo kan onder omstandigheden de uitgifte van aandelen leiden tot een zodanige verwatering van het aandelenbelang van een minderheidsaandeelhouder, dat een vennootschap daarmee haar zorgplicht jegens de betreffende minderheidsaandeelhouder schendt.
  • Bedrijfseconomisch en sociaal beleid. Er kunnen gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist bedrijfseconomisch of sociaal beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan (te) risicovolle investeringen, zonder dat daarvoor controlemomenten zijn ingebouwd.
  • Conflict tussen minderheid en meerderheid. Een conflict tussen bijvoorbeeld minderheidsaandeelhouders en meerderheidsaandeelhouders kan aanleiding vormen voor toewijzing van het enquêteverzoek.
  • Conflict tussen bestuurders en aandeelhouders/leden. Als er sprake is van een conflict tussen bestuurders en aandeelhouders/leden, kan dit een gegronde reden zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.
  • Niet naar behoren verstrekken van informatie door het bestuur. Wanneer het bestuur onjuiste of onvoldoende informatie verstrekt aan aandeelhouders/leden, de ondernemingsraad of andere belanghebbenden, kan dit onder omstandigheden een gegronde reden zijn om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken. Het moet daarbij gaan om te verstrekken informatie die essentieel is om tot een verantwoorde besluitvorming of oordeelvorming te kunnen komen of die nodig is voor het voeren van zinvol door de wet of overeenkomst voorgeschreven overleg.
  • Ruzie. Een ruzie tussen organen van de rechtspersoon (die niet onder voornoemde categorieën kan worden geschaard), kan een gegronde reden zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.

Dit zijn slechts enkele veelvoorkomende gronden om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Regelmatig betreft het een combinatie van omstandigheden die tezamen een dergelijke gegronde reden vormen.

Afwijzing enquêteverzoek

Is er onvoldoende reden om aan een juist beleid of gang van zaken van de rechtspersoon te twijfelen, dan wijst de Ondernemingskamer het enquêteverzoek af. Zo bijvoorbeeld in het geval van een incidentele fout. Als de rechtspersoon slechts eenmalig de fout ingaat zonder dat dit nadelige gevolgen met zich heeft meegebracht, is er geen reden het enquêteverzoek toe te wijzen. Ook indien een onjuiste gang van zaken binnen de rechtspersoon geruime tijd stilzwijgend is geaccepteerd, ligt de weg naar de enquêteprocedure minder voor de hand. Daarnaast zal de herstructurering van een noodlijdende rechtspersoon geen grond voor een enquête vormen en is bovendien een louter verschil van inzicht geen rechtvaardiging voor een enquête. Tot slot is voor de beslechting van een louter vermogensrechtelijk geschil in het enquêterecht geen plaats.

Toewijzing enquêteverzoek

Wordt het enquêteverzoek toegewezen, dan benoemt de Ondernemingskamer een of meer onderzoekers die het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon (en de met haar verbonden onderneming) moeten onderzoeken. Is het onderzoek afgerond, dan kan de Ondernemingskamer door middel van een tweede verzoekschrift worden verzocht om op basis van dat onderzoek vast te stellen dat er sprake is van wanbeleid binnen de vennootschap. Van wanbeleid is sprake indien de Ondernemingskamer op basis van het onderzoek constateert dat er is gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.

Voor meer informatie over de enquêteprocedure verwijzen wij u graag naar dit artikel. Mocht u vragen hebben over de enquêteprocedure, neemt u dan gerust contact met ons op.