Zoeken
  1. Misbruik van de Wob: overzicht van verleden, heden en toekomst

Misbruik van de Wob: overzicht van verleden, heden en toekomst

Artikel 110 van de Grondwet eist dat de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid betracht. De Wet openbaarheid van bestuur (“Wob”) vormt een uitwerking van deze verplichting en verlangt dat bestuursorganen uitgaan van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. Doel van de Wob is om burgers in de gelegenheid te stellen de bestuurlijke besluitvormingsprocessen in het heden en verleden te doorzien. Dit ten behoeve van controle op een goede en democratische bestuursvoering. Misbruik van de Wob komt echter regelmatig voor.
Auteur artikelJelmer Keur
Gepubliceerd18 juli 2018
Laatst gewijzigd18 juli 2018
Leestijd 

Openbaarheid van overheidsinformatie

Uitgangspunt van de Wob is dat bij informatieverstrekking, zowel op verzoek als uit eigen beweging, openbaarheid voorop staat. Op grond van artikel 3 van de Wob kan dan ook iedereen een bestuursorgaan om informatie verzoeken. Het bestuursorgaan mag de gevraagde overheidsinformatie slechts weigeren als een van de bijzondere belangen uit artikel 10 of 11 van de Wob zich tegen openbaarmaking verzet. Vanwege het uitgangspunt van openbaarheid hoeft de verzoeker ook geen belang te stellen bij zijn “Wob-verzoek”.

Misbruik van recht

Maar niet iedereen gebruik het Wob-verzoek op de wijze waarvoor deze is bedoeld. Omdat verzoekers geen belang hoeven te stellen, is hun motivatie soms lastig te achterhalen. Zo zijn er burgers die de Wob gebruiken om bestuurlijke besluitvorming te frustreren of om gewoonweg hun gemeente te treiteren uit onvrede. Ook bekend uit het (recente) verleden zijn de notoire bureaus die omvangrijke, vaag geformuleerde Wob-verzoeken indienden met als enige doel het innen van dwangsommen die bestuursorganen verbeurden als zij niet tijdig op de verzoeken beslisten. Aan deze onwenselijke praktijk is 2016 paal en perk gesteld door middel van een wetswijziging. Sindsdien leidt het niet tijdig beslissen niet meer tot verbeurte van een dwangsom (zie artikel 15 van de Wob).

Op dit moment kunnen bestuursorganen Wob-verzoeken echter niet weigeren vanwege misbruik.
Wel kan de bestuursrechter het beroep van de Wob-verzoeker niet-ontvankelijk verklaren wegens misbruik van recht. Deze beslissing heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”) ook genomen in drie recente uitspraken van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2290, ECLI:NL:RVS:2018:2291 en ECLI:NL:RVS:2018:2345; deze zaken zijn gevoegd ter zitting behandeld omdat het om dezelfde verzoeker ging). In deze zaken benadrukt de Afdeling ten eerste dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik van recht gekeken mag worden naar het eerdere procedeergedrag van de verzoeker (de appellant). Hierbij wijst de Afdeling op haar eerdere uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:157). Uit de drie zaken volgt, kort gezegd, dat de verzoeker honderden Wob-verzoeken heeft ingediend over dezelfde of vergelijkbare onderwerpen, de Wob-verzoeken gevolgd worden door tal van ingebrekestellingen en het gaat om ruime, niet-limitatieve verzoeken waaraan steeds weer afzonderlijke codes zijn toegekend.

Ten tweede overweegt de Afdeling dat hoewel de verzoeker in het kader van zijn Wob-verzoeken geen belang hoeft te stellen, de achterliggende motivatie voor het doen van die verzoeken wel een rol kan spelen bij de beantwoording of sprake is van misbruik van recht. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar eerdere uitspraken van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3118) en 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2640). De verzoeker is niet op zittingen van de rechtbank verschenen en reageert evenmin op verzoeken om gebruik te maken van mediation of anderszins in overleg te komen. Een gesprek over de achterliggende reden van de Wob-verzoeken is dus niet mogelijk. De verzoeker is evenmin ter zitting van de Afdeling verschenen en heeft nagelaten zijn motivatie kenbaar te maken in zijn beroepschrift of zijn nadere stukken. Het beroep van de verzoeker wordt dus niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling veroordeelt de verzoeker echter niet in de door het college gemaakte proceskosten, omdat zij niet eerder heeft geoordeeld dat de verzoeker misbruikt van recht maakt. Was de verzoeker een ‘recidivist’ geweest, dan had hij waarschijnlijk dus ook de rekening voor de proceskosten gekregen.

Toekomstige aanpak misbruik

Momenteel buigt de Eerste Kamer zich over het wetsvoorstel “Wet open overheid”, de beoogde opvolger van de Wob. Dit wetsvoorstel kent een expliciete antimisbruikbepaling:

Artikel 4.6 Antimisbruikbepaling
Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.

Deze bepaling maakt het voor bestuursorganen anders dan nu het geval is mogelijk om Wob-verzoeken te weigeren als sprake is van misbruik. Volgens de initiatiefnemers van de Wet open overheid beoogt artikel 4.6 evidente vormen van misbruik tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan het bestaande recht op publieke informatie. De initiatiefnemers van het wetsvoorstel stellen dat zeker niet snel mag worden aangenomen dat sprake is van misbruik. Verzoekers hebben immers recht op toegang tot publieke informatie en hoeven bij hun verzoek geen belang te stellen. Toch vinden de initiatiefnemers het wenselijk dat in bijzondere gevallen een verzoek op deze grond kan worden geweigerd. Zij benadrukken tot slot dat tegen een afdoening van een Wob-verzoek met toepassing van artikel 4.6 bezwaar, beroep en hoger beroep openstaat op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

Wilt u meer weten over de toepassing van de Wob? Neem contact op met Jelmer Keur, advocaat sectie Overheid & Vastgoed.