Zoeken
  1. Ook Hof ziet problemen bij een huurbeding in geval van lidmaatschapsrechten

Ook Hof ziet problemen bij een huurbeding in geval van lidmaatschapsrechten

De bank heeft een pandrecht verworven op een lidmaatschapsrecht dat de schuldenaar heeft in een coöperatieve flatexploitatievereniging in verband met een aan deze schuldenaar verstrekte lening. De schuldenaar heeft de betreffende woning verhuurd, in strijd met de bepalingen in de pandakte. De bank wenst het lidmaatschapsrecht in het openbaar te verkopen omdat de schuldenaar niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet.De bank heeft een verzoekschrift verlof inroeping huurbeding ingediend bij...
Artikel | 18 juli 2012 | Ruben Berentsen
De bank heeft een pandrecht verworven op een lidmaatschapsrecht dat de schuldenaar heeft in een coöperatieve flatexploitatievereniging in verband met een aan deze schuldenaar verstrekte lening. De schuldenaar heeft de betreffende woning verhuurd, in strijd met de bepalingen in de pandakte. De bank wenst het lidmaatschapsrecht in het openbaar te verkopen omdat de schuldenaar niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet.

De bank heeft een verzoekschrift verlof inroeping huurbeding ingediend bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen omdat een beroep op het huurbeding alleen mogelijk is door een hypotheekhouder en niet door een pandhouder (de bank in casu).

Het Hof heeft de beschikking van de voorzieningenrechter bekrachtigd, aangezien het Hof geen ruimte ziet voor analoge toepassing van artikel 3:264 BW. Het pandrecht kent, net als het hypotheekrecht, een specifieke wettelijke regeling. Alleen heeft de wetgever in de wettelijke regelingen voor het pandrecht niet een met het hypotheekrecht vergelijkbare regeling over het huurbeding opgenomen. De wetgever heeft het tot op heden niet noodzakelijk geacht om een vergelijkbare regeling in de wet op te nemen. In ieder geval is het zodanig onzeker dat een analoge rechterlijke regeling de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Een zo ingrijpende bevoegdheid als een ontruimingsbevoegdheid van de zakelijk gerechtigde in geval van schending van een huurbeding (die immers een uitzondering vormt op het beginsel “koop breekt geen huur”) kan slechts worden uitgeoefend op grond van een expliciete wettelijke basis met in de wet voorziene voorwaarden en omkleed met in de wet voorziene waarborgen.

Tegen de uitspraak van het Hof is cassatie ingesteld.

Bron: Notamail 10 juli 2012 (nummer 161)

Voor meer informatie over executieveilingen kunt u contact opnemen met mr. Ruben Berentsen, Anita van Wijk en Hanneke Meeuwissen