De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Opzet de verzekeraar te misleiden

Opzet de verzekeraar te misleiden

Op 21 februari 2020 deed de Hoge Raad een uitspraak waarin hij de verdeeldheid in de literatuur met betrekking tot de betekenis van de zinsnede 'opzet de verzekeraar te misleiden' in artikel 7:941 lid 5 BW beëindigde. De Hoge Raad trok hierin de lijn door van zijn eerdere uitspraak d.d. 25 maart 2016.
Auteur artikelIris Nuijten
Gepubliceerd26 maart 2020
Laatst gewijzigd26 maart 2020
Leestijd 

Inleiding

Eerder schreven wij al over de verdeeldheid in de literatuur met betrekking tot het opzetbegrip in artikel 7:941 lid 5 BW. Op 21 februari 2020 deed de Hoge Raad een uitspraak met betrekking tot de betekenis ervan. De Hoge Raad trok hierin de lijn door van zijn eerdere uitspraak d.d. 25 maart 2016. In dat arrest beantwoordde de Hoge Raad wat onder ‘opzet de verzekeraar te misleiden’ moet worden verstaan in de zin van artikel 7:930 lid 5 BW (verzwijging bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst). In het onderhavige arrest beantwoordt de Hoge Raad dezelfde vraag met betrekking tot artikel 7:941 lid 5 BW (schending medewerkingsplicht na het intreden van schade).

De casus

Kort gezegd draaide deze zaak om een arbeidsongeschiktheidsverzekering van een bestuurder en enig aandeelhouder van een gevelreinigingsbedrijf. De arbeidsongeschiktheidsverzekering werd ingeroepen op het moment dat verzekerde arbeidsongeschikt raakte in verband met een burn-out.

Na eigen onderzoek trok verzekeraar de conclusie dat haar verzekerde wel arbeidsongeschikt was, maar haar niet naar behoren had geïnformeerd over de uitbreiding van zijn werkzaamheden en dat hij verzekeringsfraude gepleegd had. De verzekeraar beriep zich op schending van de mededelingsplicht en een daarop volgend algeheel verval van uitkering, zoals geregeld in artikel 7:941 lid 5 BW.

Het hof en de Hoge Raad

In hoger beroep is alleen de eventuele schending van de mededelingsplicht aan de orde. Het was aan het hof om te beoordelen of met de schending van de mededelingsplicht door verzekerde sprake is geweest van opzet tot misleiding in de zin van artikel 7:941 lid 5 BW. Indien sprake is van dergelijk opzet tot misleiding, komt het recht op uitkering te vervallen.
Het hof overwoog:

‘Het ligt voor de hand het begrip ‘opzet tot misleiding’ in deze bepaling op dezelfde wijze uit te leggen als ditzelfde begrip in art. 7:930 lid 5 BW. Naar analogie van HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507, moet daarom onder opzet tot misleiding als bedoeld in art. 7:941 lid 5 BW worden verstaan dat een mededelingsplicht is geschonden met de bedoeling om de verzekeraar te bewegen een hogere uitkering te verstrekken.’

De Hoge Raad bevestigt dat oordeel van het hof. De Hoge Raad overweegt daartoe eerste dat de mededelingsplicht van belang is voor de beoordeling door de verzekeraar van zijn bereidheid om dekking te bieden voor het betreffende risico (op die situatie is artikel 7:930 BW van toepassing), respectievelijk van zijn gehoudenheid tot uitkering na verwezenlijking van het risico (voor deze situatie geldt artikel 7:941 BW). Aan het opzet tot misleiding is de meest vergaande sanctie, namelijk een algeheel verval van het recht op uitkering, verbonden. De Hoge Raad concludeert vervolgens:

‘Er bestaat dan ook goede grond om aan de woorden ‘met het opzet de verzekeraar te misleiden’ in art. 7:941 lid 5 BW een betekenis toe te kennen die aansluit bij de betekenis die daaraan toekomt in het kader van art. 7:930 lid 5 BW. Uit de parlementaire geschiedenis bij art. 7:941 lid 5 BW blijkt ook niet dat de wetgever een andere invulling voor ogen heeft gehad.
Het voorgaande brengt mee dat bij de beantwoording van de vraag of de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden, dient te worden onderzocht of daarbij de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.’

Conclusie

Kortom, indien een verzekeraar meent dat het recht op uitkering zou moeten vervallen op grond van artikel 7:941 lid 5 BW, dient de verzekeraar aan te tonen dat de verzekerde de bedoeling had de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt. De Hoge Raad hanteert daarbij een beperkt opzetbegrip. Dit oordeel is in lijn met het oordeel dat de Hoge Raad gaf op 25 maart 2016 met betrekking tot artikel 7:930 lid 5 BW.