Zoeken
  1. Oud-werknemers gebonden aan wijziging pensioenovereenkomst

Oud-werknemers gebonden aan wijziging pensioenovereenkomst

De Hoge Raad heeft op 6 september 2013 een belangrijk arrest gewezen over de werking van een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst door de werkgever ten opzichte van oud-medewerkers c.q. pensioengerechtigden. Er is na het einde van de arbeidsovereenkomst geen sprake van een “uitgewerkte” rechtsverhouding tussen de werkgever en de oud-werknemers, aldus de Hoge Raad. Het onderwerp van de “uitgewerkte rechtsverhouding” houdt de gemoederen al lange tijd bezig, zowel bij wijziging van d...
Auteur artikelHenk Hoving
Gepubliceerd17 september 2013
Laatst gewijzigd17 september 2013
Leestijd 
De Hoge Raad heeft op 6 september 2013 een belangrijk arrest gewezen over de werking van een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst door de werkgever ten opzichte van oud-medewerkers c.q. pensioengerechtigden. Er is na het einde van de arbeidsovereenkomst geen sprake van een “uitgewerkte” rechtsverhouding tussen de werkgever en de oud-werknemers, aldus de Hoge Raad. Het onderwerp van de “uitgewerkte rechtsverhouding” houdt de gemoederen al lange tijd bezig, zowel bij wijziging van de pensioenregeling als bij andere wijzigingen, zoals die op het terrein van de bijdrage in de ziektekostenverzekering na invoering van de Zorgverzekeringswet. De rechtspraak en literatuur geven tot nu toe geen eenduidig beeld. Hierin is (in ieder geval ten aanzien van pensioen) verandering gekomen door het arrest van de Hoge Raad.

Indien sprake is van pensioenaanspraken brengt het einde van de arbeidsovereenkomst nog niet mee, dat de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen als “uitgewerkt” moet worden aangemerkt. In dat geval wordt die rechtsverhouding, zij het met gewijzigde hoedanigheid van de partijen, voortgezet in de pensioenovereenkomst. Nu het in dit geding erom gaat wat in de aldus voortgezette rechtsverhouding geldt, valt niet in te zien waarom de enkele omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zou moeten meebrengen dat de aanspraak op indexatie in de pensioenfase onaantastbaar zou zijn.

Of – en zo ja, in hoeverre – die aanspraak kan worden aangetast, is afhankelijk van de wet en de regels die de uitvoering van de pensioenovereenkomst beheersen alsmede van de inhoud van die overeenkomst.

Hoe luidt de casus?

De vereniging van oud-medewerkers ECN & NRG (OMEN) had de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland en twee daaraan gelieerde partijen (samen ECN) gedagvaard om door de rechter te laten vaststellen, dat zij niet bevoegd waren de pensioenregeling eenzijdig te wijzigen voor de oud-medewerkers, die op 1 januari 2007 niet meer in dienst waren. De oude pensioenregels (dat wil zeggen een gegarandeerde indexatie) zouden vanaf die datum op hen toegepast moeten blijven worden.

De rechtbank wees deze vorderingen af. Het hof oordeelde dat ECN bevoegd was tot eenzijdige wijziging op grondslag van het criterium van artikel 19 Pensioenwet. Het hof oordeelde vervolgens dat bij ECN een voldoende zwaarwichtig belang ontbreekt ten opzichte van de groep oud-medewerkers om de indexatie vanaf 1 januari 2007 te wijzigen in een voorwaardelijke aanspraak (in plaats van voorheen een onvoorwaardelijke).

Beide partijen stelden beroep in cassatie in. In het incidentele cassatieberoep van OMEN oordeelt de Hoge Raad, zoals hierboven aangegeven. Uitgangspunt is de contractuele bevoegdheid van ECN in artikel 18 pensioenreglementen (die van 1990 en 1999), dat de werkgever de pensioenregeling eenzijdig kan wijzigen of intrekken na overleg met de betrokken werknemers. Gebruikmaking van deze bevoegdheid is in beginsel geoorloofd en niet afhankelijk van de afweging van artikel 19 Pensioenwet, aldus de Hoge Raad in het incidentele cassatiebewijs van ECN. Omdat tot de wijziging besloten werd in 2006, met invoeringsdatum 1 januari 2007, geldt nog de Pensioen- en spaarfondsenwet en niet de Pensioenwet (die op 1 januari 2007 van kracht werd). Beperking van deze contractuele bevoegdheid tot eenzijdige wijziging is alleen aan de orde indien sprake is van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW), of indien het uitoefenen hiervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW).

Van belang is dat onder het regiem van de PSW niet een vergelijkbare bepaling gold als artikel 19 Pensioenwet, met toetsing aan het hiervoor genoemde zwaarwichtig belang aan de zijde van de werkgever.

De Hoge Raad verwijst verdere behandeling van het geschil naar een ander gerechtshof (Den Haag). Hierover zullen we te zijner tijd nog wel horen, hoewel het principiële geschil door de Hoge Raad beslist is. Er moet alleen nog geoordeeld worden of de gebruikmaking van de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid door ECN ingeperkt wordt door misbruik van bevoegdheid en/of de onaanvaardbaarheidstoets.

Reactie 1: Positief

De uitspraak van de Hoge Raad is verheugend. Ik ben het hiermee eens. Belangrijk is dat een duidelijk oordeel gegeven wordt door onze hoogste rechter over de gebondenheid van ex-werknemers en pensioengerechtigden aan een gewijzigde of nieuwe pensioenregeling. In het voorontwerp van de Wet herziening FTK (zie mijn bijdrage op deze portal van 4 september 2013) wordt een nieuw artikel 19a Pensioenwet voorgesteld, dat overeenkomt met de hier behandelde uitspraak van de Hoge Raad. Het onderwerp speelt een belangrijke bij de invaarproblematiek, namelijk de mogelijkheid voor pensioenuitvoerders om opgebouwde aanspraken en rechten (volgens het uitkeringscontract) collectief in te varen in het systeem van reële ambitie. Naast de invoering van artikel 19a Pensioenwet wordt artikel 83 Pensioenwet gewijzigd, om een en ander juridisch te faciliteren.

Reactie 2: Wat valt onder de opgebouwde pensioenaanspraak?

Opmerkelijk is dat de Hoge Raad niet ingaat op een belangrijk aspect dat de advocaat-generaal (Timmerman) noemt. In artikel 1 Pensioenwet wordt gedefinieerd wat verstaan moet worden onder het begrip “pensioenaanspraak”, namelijk het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening. Vraag is of overeengekomen onvoorwaardelijke toeslagverlening in toekomstige jaren steeds tot de opgebouwde pensioenaanspraak van artikel 20 Pensioenwet behoort. Zo ja, dan kunnen toekomstige onvoorwaardelijke toeslagen (indexeringen) niet aangetast worden in geval van eenzijdige wijziging door de werkgever op grond van artikel 19 Pensioenwet. De aanspraak op toekomstige onvoorwaardelijke indexering blijft dan voortbestaan.

De advocaat-generaal bespreekt wanneer sprake is van een overeengekomen onvoorwaardelijke toeslagverlening. Hij stelt dat naast de formulering van de bepaling ook de achterliggende financiering relevant is. Indien hieruit afgeleid moet worden dat sprake is van een onvoorwaardelijk toegezegde indexering, dan verbiedt artikel 20 Pensioenwet, dat deze aanspraak eenzijdig door de werkgever gewijzigd wordt op grond van een zwaarwichtig belang van de werkgever. Hierover gaat een belangrijke uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 juni 2012 (de zogenaamde Delta Lloyd uitspraak). Door beide procespartijen is cassatieberoep ingesteld. De uitspraak van de Hoge Raad moet worden afgewacht. Hierover wordt u te zijner tijd geïnformeerd via deze portal.

In de onderhavige zaak gaat de Hoge Raad aan deze door de advocaat-generaal aangestipte problematiek geheel voorbij, naar ik begrijp omdat de PSW en niet de Pensioenwet toegepast moet worden. De artikelen 19 en 20 Pensioenwet, althans bepalingen van gelijke strekking, ontbraken in de tot 2007 geldende PSW. In de literatuur is omstreden of onder de PSW aantasting van opgebouwde pensioenaanspraken (on)mogelijk was.