Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak 29 mei 2019

Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak 29 mei 2019

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee uitspraken gedaan in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Conclusie is dat het PAS niet meer gebruikt wordt als basis voor toestemming voor activiteiten. Het PAS maakte het kortgezegd mogelijk om stikstof uitstotende activiteiten toe te laten, vooruitlopend op de positieve effecten van PAS-maatregelen. Hierna worden de twee uitspraken kort besproken.
Auteur artikelBart de Haan
Gepubliceerd31 mei 2019
Laatst gewijzigd06 november 2019
Leestijd 

Eisen passende beoordeling (ECLI:NL:RVS:2019:1603)
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant had op basis van het PAS zes vergunningen verleend aan verschillende agrarische bedrijven. Hoewel de bedrijven stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaakten, was volgens het college met de toepassing en uitvoering van het PAS (de passende beoordeling) gewaarborgd dat de stikstofdepositie die de bedrijven veroorzaakten niet zou leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. De Werkgroep Behoud de Peel heeft tegen deze vergunningverleningen beroep ingesteld.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft naar aanleiding van deze beroepen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen gesteld over de verenigbaarheid van het de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt, met artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn luidt als volgt:

Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten (…).

In een arrest van 7 november 2018 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen beantwoord.

Op basis van het arrest van het Hof van Justitie oordeelt de Afdeling dat het toestaan van activiteiten op basis van een programmatische aanpak zoals het PAS niet principieel in strijd is met artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn. Máár de passende beoordeling zoals dat volgt uit een programma dient wel aan de eisen van de Habitatrichtlijn te voldoen (zie artikel 6 lid 3). Uit het arrest van het Hof van Justitie volgt voorts dat de verwachte voordelen van de te treffen maatregelen alleen in de passende beoordeling mogen worden betrokken als deze voordelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan. De Afdeling bestuursrechtspraak komt – gelet op de eisen die het Hof van Justitie stelt aan de passende beoordeling - tot de conclusie dat de passende beoordeling van het PAS niet voldoet aan de eisen die het Hof daaraan stelt.

Het gevolg van deze uitspraak is dat de opname van 118 Natura 2000-gebieden in het PAS onrechtmatig is en dat dit deel van het PAS onverbindend is. Hetzelfde geldt voor het Besluit grenswaarden, waarin grens- en drempelwaarden voor de vergunningplicht zijn opgenomen. Dat betekent dat nooit drempel – en grenswaarden hebben gegolden en dat geen toepassing kon worden gegeven aan de uitzondering op de vergunningplicht.

Vergunningen en tracébesluiten die met toepassing van het PAS zijn verleend en in rechte onaantastbaar zijn, behouden het rechtsgevolg dat zij hebben. Hetzelfde geldt voor bestemmingsplannen die gebruik hebben gemaakt van het PAS.

Weiden en bemesten (ECLI:NL:RVS:2019:1604)
MOB en Leefmilieu, twee actiegroepen voor milieu, hadden bezwaar en beroep ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg en Gelderland om niet handhavend op te treden tegen het zonder Nbw-vergunning uitvoeren van bedrijfshandelingen ten behoeve van de veehouderij (weiden en bemesten). Die stelden namelijk dat de activiteiten weiden en bemesten in de Provinciale Omgevingsverordening categoraal waren uitgezonderd van de vergunningsplicht, en dat zij derhalve niet bevoegd waren om handhavend op te treden. MOB en Leefmilieu waren echter van mening dat deze uitzondering op de vergunningplicht in strijd is met artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt ook in deze zaak prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Het Hof van Justitie oordeelt dat een activiteit waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt niet categoraal kan worden uitgezonderd van de vergunningplicht (artikel 6 lid 3). Dit is slechts mogelijk als op grond van objectieve omstandigheden met zekerheid kan worden uitgesloten dat die projecten afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een of meer Natura 2000-gebieden. In die gevallen is een passende beoordeling niet nodig (artikel 6 lid 2).

Op basis van deze overwegingen in het arrest van het Hof van Justitie oordeelt de Afdeling dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden en bemesten niet is toegestaan, en dus onverbindend is wegens strijd met de Habitatrichtlijn. Het categoraal uitzonderen van het weiden van vee is niet toegestaan, aangezien de exploitatie van de melkveehouderij en het weiden van vee onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Het was daarom niet mogelijk om een deel van het project (het weiden van vee) uit te zonderen van de vergunningplicht. Het categoraal uitzonderen van het bemesten van gronden is eveneens niet toegestaan, omdat niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat het op of in de bodem brengen van meststoffen voor geen enkel Natura 2000-gebied significante gevolgen kan hebben.

Gevolgen en hoe nu verder?
Het gevolg van de twee uitspraken van de Afdeling is dat de beoordeling van de aanvaardbaarheid van plannen en projecten weer dient plaats te vinden op de wijze, zoals dat gebeurde voordat het PAS in werking trad, met dien verstande dat strengere eisen gelden voor passende beoordeling. In het stikstofstappenplan dat u hier kunt vinden, kunt u beoordelen of voor uw project een vergunningplicht bestaat en zo ja, op welke wijze u kunt bewerkstelligen dat die vergunning kan worden verleend.