Zoeken
  1. Verzet tegen opheffing overblijvende aansprakelijkheid uit hoofde van een 403-verklaring

Verzet tegen opheffing overblijvende aansprakelijkheid uit hoofde van een 403-verklaring

Er is de laatste maanden relatief veel rechtspraak over de 403-verklaring. Niet alleen lagere rechters wordt gevraagd een oordeel te geven over de gevolgen die het geven van een dergelijke verklaring met zich brengt, maar in het kader van de nationalisatie van SNS zal ook de Hoge Raad binnenkort een arrest wijzen waarin ten minste een overweging aan de 403-verklaring zal moeten worden gewijd.In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam stond de vraag centraal of een moedermaatschappij de aansp...
Artikel | 29 oktober 2014 | Eva Nass
Er is de laatste maanden relatief veel rechtspraak over de 403-verklaring. Niet alleen lagere rechters wordt gevraagd een oordeel te geven over de gevolgen die het geven van een dergelijke verklaring met zich brengt, maar in het kader van de nationalisatie van SNS zal ook de Hoge Raad binnenkort een arrest wijzen waarin ten minste een overweging aan de 403-verklaring zal moeten worden gewijd.

In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam stond de vraag centraal of een moedermaatschappij de aansprakelijkheid die zij op zich had genomen door in 1987 een 403-verklaring te geven wel of niet rechtsgeldig kon beëindigen. Daarbij is van belang dat de 403-verklaring was gegeven ten behoeve van Schildersbedrijf BV en Autoschade BV. De aandelen in Schildersbedrijf BV zijn in 1992 overgedragen, waardoor die vennootschap buiten de groep van de moedermaatschappij is komen te staan. Niettemin is pas in 2013 door de moedermaatschappij de procedure gestart om de aansprakelijkheid uit hoofde van de 403-verklaring te beëindigen.

Een moedermaatschappij die een 403-verklaring heeft gegeven kan van de door haar in die verklaring aanvaarde hoofdelijke aansprakelijkheid afkomen, maar alleen wanneer zij de geldende wettelijke procedure volgt (artikel 2:404 BW). Die procedure bestaat uit twee onderdelen, het beëindigen van de aansprakelijkheid voor nieuwe schulden en het opheffen van aansprakelijkheid voor oude schulden (de ‘overblijvende aansprakelijkheid’). Voor een korte toelichting op de procedure en de twee onderdelen verwijs ik naar mijn artikel van 31 juli 2014.

In de procedure die voor de rechtbank Rotterdam werd gevoerd lag ter beoordeling voor het verzet dat een schuldeiser van Schildersbedrijf BV had ingesteld tegen de opheffing van de overblijvende aansprakelijkheid. Het ging om een vordering uit hoofde van een ontbinding van een arbeidsovereenkomst, van een voormalige medewerker van Schildersbedrijf BV. De desbetreffende vordering was ontstaan in de periode nadat de 403-verklaring was gegeven (1987) en het moment waarop de procedure tot beëindiging van de aansprakelijkheid (2013) was gestart. Volgens de moedermaatschappij kwam de schuldeiser evenwel geen beroep toe op de 403-verklaring, omdat wat haar betreft duidelijk was dat zij in 1992 was vergeten die verklaring in te trekken (teneinde de aansprakelijkheid te beëindigen). Naar het oordeel van de rechtbank is die omstandigheid niet relevant en ook het beroep van de moedermaatschappij op de redelijkheid en billijkheid wordt gepasseerd. Als uitgangspunt heeft volgens de rechtbank te gelden dat niet is voldaan aan de procedure voor beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid waardoor de aansprakelijkheid voortduurt. Het verzet van de ex-werknemer wordt gegrond verklaard. De ondernemingskamer die in hoger beroep oordeelde over dit geschil komt tot dezelfde conclusie. Volgens de ondernemingskamer vormen het feit dat de ex-werknemer niet op de hoogte was van de verkoop van de aandelen Schildersbedrijf BV en de langdurige arbeidsrelatie tussen deze schuldeiser en Schildersbedrijf BV relevante omstandigheden waardoor het beroep op redelijkheid en billijkheid gepasseerd moet worden.

Het vonnis van de rechtbank en de beschikking van de ondernemingskamer zijn in lijn met de geldende jurisprudentie met betrekking tot dit onderwerp. Een beroep op redelijkheid en billijkheid wordt bijna altijd gepasseerd, het belang van de schuldeiser bij rechtszekerheid gaat voor (of weegt zwaarder) dan het belang van de moedermaatschappij bij het beëindigen van haar aansprakelijkheid. Eenmaal heeft de ondernemingskamer in 2010 (JOR 2010/306) een beroep op de redelijkheid en billijkheid gehonoreerd, het belangrijkste verschil tussen de situatie die destijds ter beoordeling voorlag en de hiervoor besproken zaak, is dat in de zaak uit 2010 vast stond dat de schuldeiser op de hoogte was van het verbreken van de groepsband, terwijl dat in deze zaak niet aan de orde was. Of de schuldeiser wetenschap heeft van de verkoop van de groepsmaatschappij waarvoor een 403-verklaring is gegeven is daarmee een relevante omstandigheid bij het vaststellen of de moedermaatschappij al dan niet aansprakelijk is.