Zoeken
  1. Voorzieningenrechter: ziekenhuis hoeft niet mee te werken aan specifieke bevallingswensen zwangere

Voorzieningenrechter: ziekenhuis hoeft niet mee te werken aan specifieke bevallingswensen zwangere

Op 23 maart 2018 deed de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak in het kort geding dat een zwangere vrouw en haar verloskundige (samen met het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en De Geboortebeweging) waren gestart tegen het Bravis ziekenhuis. De zwangere vrouw wilde volgens haar eigen wensen en met haar eigen verloskundige bevallen in het ziekenhuis, maar het ziekenhuis wilde daar niet aan meewerken.
Artikel | 13 april 2018 | Margo Hengeveld

Op 23 maart 2018 deed de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak in het kort geding dat een zwangere vrouw en haar verloskundige (samen met het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en De Geboortebeweging) waren gestart tegen het Bravis ziekenhuis. De zwangere vrouw wilde volgens haar eigen wensen en met haar eigen verloskundige bevallen in het ziekenhuis, maar het ziekenhuis wilde daar niet aan meewerken. De zaak werd in de media geschetst als een strijd om het recht op zelfbeschikking van vrouwen en een schoolvoorbeeld van wat er misgaat bij de invoering van de integrale geboortezorg. Onterecht, zo blijkt uit de uitspraak.

De inzet van de procedure

De wens van de vrouw om onder begeleiding van haar eigen (eerstelijns) verloskundige te bevallen in het ziekenhuis is op zichzelf niet opmerkelijk, ware het niet dat zij vanwege een eerdere bevalling middels een keizersnede tot een risicogroep behoorde en een indicatie had om te bevallen onder begeleiding van het personeel van het ziekenhuis (tweede lijn). Ook weigerde de vrouw bewaking van een CTG (een apparaat dat de harttonen van de foetus en de weeën registreert) waardoor eventuele complicaties te laat opgemerkt zouden kunnen worden. Het ziekenhuis achtte de gewenste bevallingswijze dusdanig onverantwoord dat het daaraan geen medewerking wilde verlenen. De vrouw was welkom om te bevallen in het ziekenhuis, maar dan wel onder begeleiding van de gynaecoloog.

De zwangere vrouw en haar verloskundige vonden deze weigering onrechtmatig. Met het kort geding wilden zij afdwingen dat het ziekenhuis alsnog medewerking aan de bevalling zou verlenen en dat het ziekenhuis een kortdurende toelatingsovereenkomst met de verloskundige zou sluiten zodat zij de bevalling onder eigen verantwoordelijkheid zou kunnen begeleiden.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het recht op zelfbeschikking van de vrouw meebrengt dat zij de bevallingswijze zoals die door het ziekenhuis is geïndiceerd mag weigeren. Het gaat hier echter niet om de vraag of de vrouw een bepaalde behandeling mag weigeren, maar of zij van het ziekenhuis medewerking mag verlangen aan een behandeling die het ziekenhuis níet aangewezen acht en waarvoor het ziekenhuis op grond van de centrale aansprakelijkheid (artikel 7:462 BW) wel verantwoordelijk is. Bij beantwoording van die vraag neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt dat de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen en daarbij in overeenstemming moet handelen met de medisch professionele standaard (artikel 7:453 BW). Daaruit vloeit volgens de voorzieningenrechter een zekere professionele autonomie van de hulpverlener voort, die in dit geval meebrengt dat het ziekenhuis alleen dán tot medewerking aan de gewenste bevalling gehouden is wanneer de weigering van die medewerking in strijd is met de medisch professionele standaard en een redelijk handelend hulpverlener niet tot die weigering had kunnen komen.

De professionele standaard (gevormd door het Verloskundig Vademecum, de NVOG-Richtlijn “Zwangerschap en bevalling na een voorgaande sectio caesarea” en de “Leidraad Verloskundige zorg buiten de richtlijnen”) schrijft in dit specifieke geval een bevalling in de tweede lijn voor. De toepasselijke richtlijnen verplichten het ziekenhuis op geen enkele manier om medewerking te verlenen aan een bevalling die – gelet op de risico’s en de indicatie voor een ziekenhuisbevalling – juist afwijkt van die richtlijnen. Wél schrijven zij voor dat bij een verzoek om een bevallingswijze die afwijkt van de richtlijnen overleg plaatsvindt en dat alternatieven worden geboden. Omdat het ziekenhuis diverse alternatieven heeft aangedragen en de zwangere vrouw nog steeds welkom is om in het ziekenhuis te bevallen, heeft het ziekenhuis zich aan de richtlijnen gehouden, aldus de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter concludeert dat het ziekenhuis met de weigering dan ook niet in strijd handelt met de professionele standaard en geen medewerking hoeft te verlenen aan de gewenste bevallingswijze. 

Ook de stelling dat het ziekenhuis een toelatingsovereenkomst zou moeten sluiten met de verloskundige gaat volgens de voorzieningenrechter niet op. Het ziekenhuis streeft naar langdurige samenwerkingsafspraken met regionale ketenpartners waarmee afspraken zijn gemaakt over de kwaliteit en veiligheid van de zorg. De voorzieningenrechter oordeelt dat het ziekenhuis in principe zelf mag bepalen met wie het toelatingsovereenkomsten sluit en wat de inhoud daarvan is. Volgens de voorzieningenrechter mag het ziekenhuis daarbij streven naar langdurige samenwerkingsafspraken, zeker wanneer dat naar verwachting van gunstige invloed is op de kwaliteit van de zorg. Een kortdurende toelatingsovereenkomst druist  lijnrecht tegen dat streven in. De regels van mededingingsrecht maken dit laatste niet anders, aldus de voorzieningenrechter. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de samenwerking met de ketenpartners duidelijk gericht op de kwaliteit van zorg. Van afspraken die de markt afschermen is geen sprake, zeker nu het ziekenhuis zegt geen enkele eerstelijns verloskundige die deze wijze van bevalling zou willen begeleiden toe te zullen laten.

Tot slot

De voorzieningenrechter plaatste de weigering van het ziekenhuis niet in de sleutel van het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw, maar in de sleutel van de vrijheid van het ziekenhuis om medewerking aan een – niet geïndiceerde en volgens het ziekenhuis onverantwoorde – bevallingswijze te weigeren. Met deze uitspraak wordt nog eens bevestigd dat de medische hulpverlener niet hoeft te werken volgens het ‘u vraagt, wij draaien’-principe en dus niet aan elk verzoek van een patiënt zonder meer uitvoering moet geven. Bij de afweging van het ziekenhuis om een behandeling al dan niet uit te voeren en om een verloskundige al dan niet toe te laten, zal het belang van patiëntveiligheid steeds leidend moeten zijn.