Zoeken
  1. Wmcz 2018 (1)

Wmcz 2018: toch geen drievoudige rechterlijke beroepsinstantie

De Wmcz 2018 brengt toch geen viertrapsgeschilbeslechting. Beroep tegen een uitspraak van de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV) zal slechts kunnen worden ingesteld bij de Ondernemingskamer.
Artikel | 12 oktober 2018 | Tom van Malssen

Een door de mannenbroeders van de SGP ingediend amendement van deze strekking is door de minister geaccepteerd (Kamerstukken II, 2018/2019, 29689, nr. 21).

Het oorspronkelijke wetsvoorstel ging nog uit van drie beroepsinstanties: de kantonrechter, het gerechtshof en de Hoge Raad.

Al dan niet geïnspireerd door het amendement, een spoedadvies van de Raad van State en/of kritische stemmen in de literatuur, is de minister echter tot de conclusie gekomen dat "rechtspraak in één instantie" een "praktische oplossing" is, waarmee "langdurige procedures" worden vermeden. Ook wordt met de wijziging (tot op zekere hoogte) aangesloten bij de structuur van andere medezeggenschapswetten (Wet medezeggenschap op scholen en Wet op de ondernemingsraden). 

Wel blijft nog steeds onduidelijk welke maatstaf de civiele rechter (de Ondernemingskamer dus) aan zal moeten leggen bij de beoordeling van de uitspraken van de LCvV. De reguliere maatstaf voor vernietiging van bindende adviezen (art. 7:904 BW), of een integrale herbeoordelingsmaatstaf? In dat laatste geval is bovendien de vraag wat de precieze juridische status is van de door de LCvV in de afgelopen jaren zelf gecreëerde jurisprudentie. 

Of wenst de wetgever dit allemaal aan de rechterlijke macht over te laten?