Zoeken
  1. Aanvulling gronden gunningsbeslissing ontoelaatbaar ondanks nieuwe opschortingstermijn

Aanvulling gronden gunningsbeslissing ontoelaatbaar ondanks nieuwe opschortingstermijn

Volgens een vaste lijn in de jurisprudentie, ingezet door de Hoge Raad met zijn arrest Staat/KPN, moet een aanbestedende dienst zijn gunningsbeslissing aanstonds volledig motiveren en mag hij de relevante redenen voor deze beslissing (vgl. art. 2.130 Aanbestedingswet) niet op een later moment aanvullen. Voor een uitzondering op deze regel is slechts vanwege bijzondere redenen of omstandigheden ruimte. De ratio van deze jurisprudentie is (voor een belangrijk deel) gelegen in de effectieve rech...
Auteur artikelFrank Cornelissen
Gepubliceerd25 november 2016
Laatst gewijzigd25 november 2016
Leestijd 
Volgens een vaste lijn in de jurisprudentie, ingezet door de Hoge Raad met zijn arrest Staat/KPN, moet een aanbestedende dienst zijn gunningsbeslissing aanstonds volledig motiveren en mag hij de relevante redenen voor deze beslissing (vgl. art. 2.130 Aanbestedingswet) niet op een later moment aanvullen. Voor een uitzondering op deze regel is slechts vanwege bijzondere redenen of omstandigheden ruimte. De ratio van deze jurisprudentie is (voor een belangrijk deel) gelegen in de effectieve rechtsbescherming van (afgewezen) inschrijvers om tegen de gunningsbeslissing op te komen.

De Haagse voorzieningenrechter paste deze regel in een recente uitspraak wel erg strikt toe. In de aan hem voorliggende zaak had het Rijksvastgoedbedrijf – de aanbestedende dienst – een inschrijving alsnog ongeldig verklaard nadat het de opdracht reeds voorlopig aan die inschrijver had gegund. Bij de ongeldigverklaring was de inschrijver een nieuwe bezwaartermijn (Alcateltermijn) geboden. Naar ik meen, is daarmee aan het rechtsbeschermingsbelang van de inschrijver voldoende tegemoetgekomen, zodat de voorzieningenrechter (op dit punt) de gunningsbeslissing in stand had moeten laten. Ook het belang van de tussengekomen ‘nieuwe winnaar’ had mijns inziens moeten leiden tot de vaststelling dat het Rijksvastgoedbedrijf zijn gunningsbeslissing mocht herzien. Het belang van die partij, die de beste geldige inschrijving heeft gedaan, rechtvaardigt als bijzondere omstandigheid een uitzondering op de Staat/KPN-regel (zie ook een ander artikel op deze kennispagina naar aanleiding van een Rotterdams kortgedingvonnis).

Gezien de stand van de jurisprudentie blijft het voor aanbestedende diensten dus van zeer groot belang om inschrijvingen direct, uitgebreid op (alle mogelijke) ongeldigheden te controleren. Ondernemers ontlenen aan de bovengenoemde jurisprudentie juist een krachtig verweer tegen nadelige aanpassingen van de gunningsbeslissing, zoals een laattijdige ongeldigverklaring.

Bij de bovengenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, schreven Tony van Wijk en ikzelf deze noot in de Jurisprudentie Aanbestedingsrecht (JAAN).