1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Bijdrage Mike van de Graaf in OR Updates 5/2022 (Hof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2021:2495)

Bijdrage Mike van de Graaf in OR Updates 5/2022 (Hof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2021:2495)

Schuldeisers vorderen betaling van de (indirect) bestuurders van een bv die aandelen van hen heeft overgenomen. Zij baseren hun vordering op onrechtmatige daad (externe bestuurdersaansprakelijkheid). Evenals eerder de rechtbank wijst het hof de vorderingen tegen de bestuurders af. Het hof overweegt dat een SPA-bepaling niet gelezen moet worden als een garantie, maar als een inspanningsverbintenis en dat de (indirect) bestuurder van de koper geen persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden.
Leestijd 
Auteur artikel Mike van de Graaf
Gepubliceerd 15 maart 2022
Laatst gewijzigd 15 maart 2022

A&P Rotterdam B.V. (‘A&PR’) dreef binnen de franchiseformule van A&P Holding B.V. (‘A&PH’) een restaurant in Rotterdam. De aandelen in A&PH werden indirect gehouden door ‘Aandeelhouder 1’ en ‘Aandeelhouder 2’ middels een holdingmaatschappij respectievelijk PBB B.V. (‘PBB’); A&PH hield op haar beurt alle aandelen in A&PR.

In 2018 heeft A&PH alle A&PR-aandelen verkocht en geleverd aan de holdingvennootschap van Aandeelhouder 1 (‘de BV’) en DSR B.V. (‘DSR’) en ter financiering van de koopsom heeft A&PH een lening verstrekt aan de kopende partijen (‘Geldleningsovereenkomst I’) en kort daarna is ook door PBB aan A&PR een geldlening verstrekt (‘Geldleningsovereenkomst II’). Verder is voorafgaand aan de aandelentransactie door A&PR als geldnemer een
geldleningsovereenkomst aangegaan met de Europese Financieringsmaatschappij als geldgever (‘Geldleningsovereenkomst EHF’), waarvoor A&PH, PBB en Aandeelhouder 2 zich als hoofdelijk schuldenaren hebben verbonden voor de terugbetaling van die geldlening.

Nog geen twee maanden na de aandelentransactie heeft A&PH de franchiseovereenkomst met A&PR beëindigd en heeft A&PR het gebruik van de franchiseformule gestaakt. Bijna een jaar later is A&PR failliet verklaard.

In eerste aanleg hebben A&PH en PBB (‘A&PH c.s.’) gevorderd dat de BV en haar enig aandeelhouder en bestuurder (‘de Bestuurder’ en tezamen ‘B.V. c.s.’) hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van bedragen aan (i) A&PH op grond van Geldleningsovereenkomst I en de franchiseovereenkomst, (ii) PBB op grond van  Geldleningsovereenkomst II en aan (iii) A&PH c.s. op grond van Geldleningsovereenkomst EHF. A&PH en PBB baseerden hun vorderingen jegens B.V. c.s. op externe bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank heeft de vorderingen van A&PH c.s. afgewezen. Zij gaan tegen dit oordeel in hoger beroep.

Het hof overweegt dat de aansprakelijkheid van de BV voor de vordering tot schadevergoeding vanwege het niet voldoen aan haar verbintenis uit de koopovereenkomst is gegrond op een toerekenbare tekortkoming. De overige aanspraken jegens de BV zijn gebaseerd op de aansprakelijkheid als bestuurder van A&PR. De Bestuurder wordt steeds in persoon als bestuurder van de BV aansprakelijk gehouden.

A&PH c.s. stellen dat uit de koopovereenkomst volgt dat de BV een inspanningsverbintenis had om zich ervoor in te zetten dat iedere overeenkomst die A&PR met een andere partij had en waarbij Aandeelhouder 2 hoofdelijk aansprakelijk is voor prestaties uit hoofde van die overeenkomst, zodanig zou worden gewijzigd dat die hoofdelijke aansprakelijkheid zou komen te vervallen, maar dat de BV in dat kader niets heeft ondernomen. Het hof overweegt
dat de betreffende bepaling wijst op enkel en alleen een inspanningsverbintenis van de BV en aldus geen garantie behelst.

A&PH c.s. stellen verder dat de Bestuurder op grond van de Beklamel-norm aansprakelijk is jegens hen, nu hij bij het aangaan van de koopovereenkomst en de geldleningsovereenkomsten een onverantwoord ondernemersrisico heeft genomen en wist of moest weten dat de geldleningen niet meer terugbetaald konden worden. Deze grief faalt nu de BV niet in staat was om de overnamesom te financieren en deze overnamesom door middel van Geldleningsovereenkomst I gefinancierd werd door A&PH. Hieruit volgt aldus het hof dat de financiële beperkingen van de BV bij het aangaan van de koopovereenkomst niet met succes aan de Bestuurder kunnen worden tegengeworpen, nu A&PH c.s. het (dus) bekend was dat de overname en de geldleningsovereenkomsten uit de bedrijfsactiviteiten zouden moeten worden betaald. De rechtbank overwoog verder in dit verband onweersproken dat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat ten tijde van de overname reeds duidelijk was of moest zijn dat de exploitatie van het restaurant daarvoor onvoldoende zou opbrengen.

De slotsom is dat het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigt.

M.J. (Mike) van de Graaf, februari 2022