Zoeken
  1. Foutje, bedankt? (1)

Foutje, bedankt?

Het kan voorkomen dat een persoon of onderneming per ongeluk een bedrag overmaakt aan een ander dan degene voor wie het bedrag is bedoeld. Gaat de ontvanger niet vrijwillig over tot terugbetaling van het ten onrechte ontvangen bedrag, dan kan dit bedrag over het algemeen in rechte worden teruggevorderd op grond van onverschuldigde betaling. Is de partij aan wie de onverschuldigde betaling is verricht echter failliet, dan zal een curator niet zonder meer over gaan tot terugbetaling.Dat ook de...
Auteur artikelDirkzwager
Gepubliceerd18 november 2010
Laatst gewijzigd18 november 2010
Leestijd 
Het kan voorkomen dat een persoon of onderneming per ongeluk een bedrag overmaakt aan een ander dan degene voor wie het bedrag is bedoeld. Gaat de ontvanger niet vrijwillig over tot terugbetaling van het ten onrechte ontvangen bedrag, dan kan dit bedrag over het algemeen in rechte worden teruggevorderd op grond van onverschuldigde betaling. Is de partij aan wie de onverschuldigde betaling is verricht echter failliet, dan zal een curator niet zonder meer over gaan tot terugbetaling.

Dat ook de Belastingdienst wel eens een foutje maakt bij haar overboekingen, is natuurlijk niet uit te sluiten. Zo ook in de zaak die voor de Rechtbank Haarlem diende op 25 augustus 2010. De Belastingdienst had een aanzienlijk bedrag (€ 28.789,-) door een fout overgemaakt op de boedelrekening van de failliete vennootschap Luyt Metal Solutions B.V. Dit bedrag was echter bedoeld voor Equites B.V. De Belastingdienst nam contact op met de curator van Luyt Metal Solutions B.V., maar die weigerde vervolgens het geld terug te betalen aan de Belastingdienst. De curator stelde zich daarbij op het standpunt dat het bedrag in de boedel viel, op grond van artikel 20 Faillissementswet (Fw).

In artikel 20 Fw is bepaald dat ‘al hetgeen de failliet gedurende het faillissement verwerft, in de boedel valt’. Indien deze hoofdregel onverkort wordt toegepast, dan geldt dus dat het door de Belastingdienst per ongeluk overgeboekte bedrag inderdaad in de boedel zou vallen (en de Belastingdienst zou hetzelfde bedrag nogmaals aan Equites B.V. dienen te betalen). De Belastingdienst krijgt in dat geval een concurrente boedelvordering ter hoogte van dit bedrag. Dit zou weer betekenen dat de Belastingdienst meedeelt in de faillissementskosten (waaronder het salaris curator), welke kosten regelmatig zo hoog oplopen dat aan een uitkering aan de crediteuren waaronder de Belastingdienst, niet of nauwelijks kan worden toegekomen. De Belastingdienst heeft er dus belang bij dat het geld direct door de curator wordt terugbetaald, zonder dat eerst de faillissementskosten deels uit dit bedrag worden voldaan.

Op deze hoofdregel dat ‘alle betalingen na faillissement in de boedel vallen’ bestaan enkele uitzonderingen, onder meer indien de betaling na datum van faillissement het gevolg is van een onmiskenbare vergissing. In het arrest van 5 september 1997 (Ontvanger/Mr. Hamm q.q.) heeft de Hoge Raad bepaald dat de curator, wanneer hij wordt geconfronteerd met een zodanige onmiskenbare vergissing, hij betamelijk handelt indien hij meewerkt aan het –zo spoedig mogelijk en met voorbijgaan van aanspraken van andere boedelcrediteuren- ongedaanmaken van die vergissing. Oftewel, de curator dient het bedrag direct terug te betalen, zonder dat de betaler moet meebetalen aan faillissementskosten.

Er moet dus wel sprake zijn van een ‘onmiskenbare’ vergissing. Wat hieronder precies begrepen moet worden, heeft de Hoge Raad in een later arrest (van 8 juni 2007, Mr. Van der Werff q.q./BLG) gespecificeerd. Er is sprake van een onmiskenbare vergissing, wanneer geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan die de betaler, de gefailleerde of de curator aanleiding kon geven te veronderstellen dat er (mogelijk) wél een rechtsgrond aanwezig was voor de betaling in kwestie.

In dat geval valt immers voor geen van de betrokkenen te miskennen dat de betaling bij vergissing is verricht, omdat duidelijk is dat zij bij gebreke van enige rechtsverhouding noch voor de gefailleerde, noch voor de curator bestemd was, dan wel evident is dat de rechtsverhouding die tussen de betaler en de gefailleerde wél bestaat of heeft bestaan voor de betaling in kwestie geen rechtsgrond kon opleveren.

Kan nu gezegd worden (zoals de curator in deze procedure doet) dat tussen de Ontvanger en Luyt zowel voor als na het faillissement een brede en langdurige rechtsverhouding heeft bestaan en bestaat vanwege betalingen, verrekeningen en restituties van heffingen en belastingen? En dat er door het bestaan van deze relatie (die de Belastingdienst natuurlijk met iedereen heeft) aanleiding kon zijn voor de betaling, zodat geen sprake is van een onmiskenbare vergissing?

De rechtbank volgt deze redenering van de curator (mijns inziens terecht) niet.  Een rechtsverhouding die bestaat in het zijn van belastingplichtige en waaruit in algemene zin betalingen, verrekeningen en restituties kunnen volgen, sluit niet uit dat ten aanzien van een specifieke betaling sprake kan zijn van een onmiskenbare vergissing. Het gaat er om of deze bestaande rechtsverhouding een rechtsgrond opleverde (of mogelijk kon opleveren) voor de betaling in kwestie.

Oftewel, ook als er  een algemene rechtsverhouding bestaat, zoals tussen de Belastingdienst en de belastingplichtigen, kan er toch sprake zijn van een onmiskenbare vergissing bij een overboeking. Hiermee biedt dit vonnis van de rechtbank een voorbeeld van een verruiming van de strikte definitie van betalingen die het gevolg zijn van ‘onmiskenbare vergissingen’, die in faillissementen voor directe terugbetaling in aanmerking komen. Daarbij merk ik wel op dat, de positie van de Belastingdienst een dusdanig speciale is, dat dit arrest naar mijn mening niet één-op-één zal kunnen worden toegepast bij andere rechtsverhoudingen. De omstandigheden van dit geval zijn uitzonderlijk en zullen niet snel voor toepassing in andere zaken in aanmerking gekomen.