De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Goedkeuring rechtbank voor wijziging doelstelling stichting

Goedkeuring rechtbank voor wijziging doelstelling stichting

Indien de statuten van een stichting niet voorzien in de mogelijkheid om deze te wijzigen, kan de rechtbank op verzoek van de oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie de statuten wijzigen indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijs niet kunnen zijn gewild.Dit bepaalt het eerste lid van artikel 2:294 Burgerlijk Wetboek (BW). De wet geeft vervolgens in lid 2 van genoemd artikel aan dat de rechtbank daarbij zo min mogelijk...
Auteur artikelMarèl Baak
Gepubliceerd12 juli 2016
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Indien de statuten van een stichting niet voorzien in de mogelijkheid om deze te wijzigen, kan de rechtbank op verzoek van de oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie de statuten wijzigen indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijs niet kunnen zijn gewild.
Dit bepaalt het eerste lid van artikel 2:294 Burgerlijk Wetboek (BW). De wet geeft vervolgens in lid 2 van genoemd artikel aan dat de rechtbank daarbij zo min mogelijk van de bestaande statuten afwijkt, en dat indien wijziging van het doel nodig is, zij een doel aanwijst dat aan het bestaande doel verwant is. De wet geeft hiermee aan dat de rechtbank zeer terughoudend moet omgaan met de aan haar toekomende wijzigingsbevoegdheid.

Stichting Fonds Nederlands Sanatorium te Davos had (kortgezegd) als doel: het bevorderen van weldadigheid, welk doel de stichting tracht te bereiken door het steunen van de Vereniging tot Behartiging der Belangen van Nederlandse Longlijders. Daartoe zal jaarlijks het gehele zuivere inkomen van de stichting aan deze vereniging moeten worden uitgekeerd. De vereniging moet dit geld speciaal besteden voor de door haar te Davos geëxploiteerde of te exploiteren inrichtingen voor weinig vermogende Nederlanders die lijden aan tbc, dan wel aan astma of andere ziekten der ademhalingsproblemen. Indien de vereniging mocht ophouden te bestaan of ophoudt in Davos voormelde inrichtingen te exploiteren, zal de stichting haar doel verder trachten te bereiken door op dezelfde wijze als ten aanzien van de vereniging is omschreven, het Nederlands Kankerinstituut te steunen.

Het bestuur van de stichting wenste de statuten van de stichting (inclusief de doelstelling ) te wijzigen. Volgens de gewenste doelstelling zullen de gelden –via de vereniging - worden besteed aan “kwaliteit van leven” in het algemeen en in het bijzonder voor weinig vermogende Nederlanders die lijden aan tbc, astma of andere ziekten van de ademhalingsorganen.
De motivering voor deze ruimere doelstelling was dat het voor patiënten met longziekten niet altijd meer noodzakelijk is om een behandeling in Davos te ondergaan. In Nederland zijn volgens het bestuur goede alternatieven die minder kostbaar zijn. Daarnaast is de rol van de vereniging veranderd, nu de vereniging ook een bemiddelingsrol heeft tussen zorgverzekeraar en patiënt om de kosten via de zorgverzekering vergoed te krijgen. Tot slot worden in Davos steeds vaker kinderen behandeld. Door een ruimere doelstelling wordt het voor de vereniging ook mogelijk de gelden aan te wenden om ouders de gelegenheid te bieden hun kinderen in Davis te bezoeken.

De rechtbank heeft het verzoek tot statutenwijziging afgewezen omdat het verzoekschrift onvoldoende was onderbouwd. Het Gerechtshof Amsterdam (12 april 2016) is echter van oordeel dat de stichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat – met inachtneming van de omstandigheden zoals deze zich thans voordoen, de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de medische wetenschap én de wijze van en de kosten voor behandeling in Davos – ongewijzigde handhaving van de doelstelling leidt tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild.
De gewenste wijziging in de statuten dat het bestuur voortaan zelf tot statutenwijziging kan besluiten, is niet goedgekeurd. De noodzaak de statuten zelf te wijzigen heeft het bestuur onvoldoende onderbouwd. De bijzondere bescherming van de wil van de oprichter van de stichting is hiermee naar de mening van het hof niet gewaarborgd. Een eventuele toekomstige statutenwijziging behoeft aldus nog steeds de goedkeuring van de rechtbank.