Zoeken
  1. Turboliquidatie mogelijk indien er geen baten maar wel schulden zijn

Turboliquidatie mogelijk indien er geen baten maar wel schulden zijn

Op 27 juni 2016 heeft de Rechtbank Gelderland  een interessante uitspraak gedaan. De vraag was aan de orde of een turboliquidatie van een rechtspersoon (een liquidatie op grond van artikel 2:19 lid 4 Burgerlijk Wetboek) mogelijk is indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten maar wel schulden heeft. De schuld betrof hier de vordering van een werkneemster tot betaling van onder meer de transitievergoeding en een billijke vergoeding.Door mr. S. Renssen is, in op 18 no...
Auteur artikelPeter-Jan Hopmans (uit dienst)
Gepubliceerd05 augustus 2016
Laatst gewijzigd05 augustus 2016
Leestijd 
Op 27 juni 2016 heeft de Rechtbank Gelderland  een interessante uitspraak gedaan. De vraag was aan de orde of een turboliquidatie van een rechtspersoon (een liquidatie op grond van artikel 2:19 lid 4 Burgerlijk Wetboek) mogelijk is indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten maar wel schulden heeft. De schuld betrof hier de vordering van een werkneemster tot betaling van onder meer de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Door mr. S. Renssen is, in op 18 november 2015 verschenen proefschrift over de turboliquidatie, verdedigt dat onder bate in de zin van artikel 2:19 lid 4 Burgerlijk Wetboek mede een schuld dient te worden verstaan. Zij baseert dit standpunt op het feit dat – indien een schuld niet ook als een bate beschouwd zou worden – misbruik van de turboliquidatie op de loer ligt. Immers, indien het besluit tot ontbinding wordt genomen terwijl er nog baten zijn, dan zal vereffend moeten worden. Indien de schulden de baten overtreffen, dan moet de vereffenaar het faillissement van de rechtspersoon aanvragen. Aldus lijkt de rechtspersoon het zelf in de hand te hebben of zij op grond van artikel 2:19 lid 4 Burgerlijk Wetboek ophoudt te bestaan dan wel of de vereffenaar het faillissement moet aanvragen in die zin dat het besluit tot ontbinding kan worden uitgesteld tot het moment dat er geen baten meer zijn (te verwachten).

De rechtbank volgt deze stelling niet en verwijst hierbij naar een arrest van de Hoge Raad . De Hoge Raad overwoog in dit arrest dat “(het bestuur van) de rechtspersoon, anders dan schuldeisers, in art. 2:19 BW een alternatieve weg ten dienste staat om, al dan niet na vereffening van het vermogen, de beëindiging van het bestaan van de rechtspersoon te bewerkstelligen.”

De rechtbank leidt uit dit citaat af dat volgens de Hoge Raad een turboliquidatie mogelijk is indien geen baten aanwezig zijn. Ter onderbouwing daarvan verwijst de rechtbank naar de conclusie van de advocaat-generaal voorafgaand aan dit arrest.

De advocaat-generaal stelt hierin dat: “Artikel 2:19 lid 4 BW zonder meer stelt dat de rechtspersoon ophoudt te bestaan als er op het tijdstip van de ontbinding geen baten zijn. “Alsdan zal men aan een vereffening niet toekomen”, zegt de Memorie van Toelichting. Ik zie geen aanleiding te veronderstellen dat de wetgever gewenst heeft dat op deze regel een uitzondering geldt ingeval de ontbonden vennootschap nog schulden heeft. In dat geval had het voor de hand gelegen dat deze – toch niet zeldzaam voorkomende – uitzondering expliciet zou zijn benoemd. Ik wijs er verder op dat, volgens de wetsgeschiedenis, de wettelijke vereffeningsprocedure in beginsel is bedoeld voor gevallen waarbij er voldoende baten aanwezig zijn om alle schuldeisers te voldoen: als er baten zijn, maar de schulden overtreffen die, dan vraagt de vereffenaar het faillissement aan, omdat volgens de wetgever een afwikkeling volgens de Faillissementswet dan meer op zijn plaats is. Omdat, ingeval er geen baten zijn, aan de vereffeningsprocedure in beginsel niet wordt toegekomen, komt art. 2:23a lid 4 BW niet in beeld. Ik denk daarom dat de turboliquidatie niet een “schijnalternatief” is, zoals Renssen stelt”.

De rechtbank neemt de analyse en conclusie van de advocaat-generaal, mede in het licht van het arrest van de Hoge Raad, over en oordeelt dat een schuld niet als een bate in de zin van artikel 2:19 lid 4 Burgerlijk Wetboek moet worden beschouwd. In het systeem van de wet is een vereffening slechts aan de orde als sprake is van een bate. Daarom kan de vordering van werkneemster niet als ‘bate’ worden gezien. Dat misbruik van turboliquidatie in het huidige systeem (eenvoudig) mogelijk is en dat dat ten koste gaat van de positie van schuldeisers, zoals werkneemster, maakt dit, aldus de rechtbank, niet anders.

Peter-Jan Hopmans