De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Wanneer kan een beroep worden gedaan op overmacht?

Wanneer kan een beroep worden gedaan op overmacht?

Overmacht, ook wel force majeure genoemd, is een juridisch begrip dat een niet-toerekenbare onmogelijkheid aanduidt om een verplichting na te komen. Van de debiteur die in overmacht verkeert kan in beginsel geen nakoming of schadevergoeding worden verlangd, en bovendien kan hij zich van zijn verplichtingen bevrijden door de onderliggende overeenkomst te ontbinden.Het Burgerlijk Wetboek (artikel 6:75) geeft antwoord op de vraag wanneer een tekortkoming niet aan een schuldenaar worden toegereke...
Auteur artikelJeroen Naus
Gepubliceerd18 september 2015
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Overmacht, ook wel force majeure genoemd, is een juridisch begrip dat een niet-toerekenbare onmogelijkheid aanduidt om een verplichting na te komen. Van de debiteur die in overmacht verkeert kan in beginsel geen nakoming of schadevergoeding worden verlangd, en bovendien kan hij zich van zijn verplichtingen bevrijden door de onderliggende overeenkomst te ontbinden.

Het Burgerlijk Wetboek (artikel 6:75) geeft antwoord op de vraag wanneer een tekortkoming niet aan een schuldenaar worden toegerekend:

“Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.”

Partijen bij een overeenkomst kunnen contractueel de omstandigheden die overmacht opleveren beperken (bijvoorbeeld door middel van garanties) of uitbreiden (bijvoorbeeld door middel van exoneraties). In een zaak die leidde tot een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland moest de rechter zich buigen over de uitleg van een dergelijke bepaling.

Feiten

Y houdt zich bezig met zoutwinning uit zogeheten ‘cavernes’ (met pekel gevulde ruimten in de grond). Zij gebruikt hierbij grote hoeveelheden elektriciteit en stoom en is daartoe een energieleveringsovereenkomst aangegaan met X. In die overeenkomst is een minimale afnameverplichting van Y overeengekomen. Verder bevat de overeenkomst een overmachtsclausule. Volgens deze clausule kan Y onder meer een beroep doen op overmacht indien sprake is van brand, explosies, het verloren gaan van cavernes of bij natuurgeweld. Voor een beroep op overmacht wegens brand en explosies is specifiek de eis opgenomen dat het betreffende evenement redelijkerwijs niet te verzekeren was. Dit is echter niet zo opgenomen voor het verloren gaan van de cavernes of bij natuurgeweld.

In 2012 en 2013 heeft Y niet voldaan aan de minimale afnameverplichting. Y doet een beroep op overmacht, stellende dat in 2012 een van de cavernes zwaar is beschadigd en verloren is gegaan door een losgeraakt zoutblok en dat in 2013 een zware storm heeft plaatsgevonden waardoor de afname stil was komen te liggen.

Beoordeling

Ten aanzien van 2012

X heeft gesteld dat onder het verloren gaan van een caverne niet valt het uitgeput raken daarvan. Bij het verloren gaan van een caverne moet het, volgens X, gaan om een plotsklapse en onverwachte omstandigheid die van de één op de andere dag leidt tot het buiten gebruikstellen van een operationele caverne. Volgens X moet het derhalve gaan om omstandigheden die buiten de invloedssfeer van één der partijen liggen en moet het gaan om omstandigheden die niet reeds op grond van de redelijkheid en billijkheid aan de risicosfeer van één der partijen dient te worden toegerekend.

Y stelt echter dat geen sprake is van een gebruikelijke uitputting of een normale bedrijfsomstandigheid, maar dat sprake is van het verloren gaan van  de mijn, zijnde een omstandigheid die buiten haar invloedsfeer ligt en die als overmacht als bedoeld in de overeenkomst kwalificeert. In dat verband heeft Y aangevoerd dat sprake is van het verloren gaan van een caverne indien deze door buitengewone omstandigheden anders dan verwacht niet langer kan worden gemijnd. Bij de vorm van mijnbouw die zij toepast kunnen zich over een langere periode (elkaar opvolgende) omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat een caverne onverwacht en vroegtijdig niet meer gemijnd kan worden.

Oordeel Rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor beantwoording van de vraag of sprake is van een overmachtssituatie als bedoeld in de overeenkomst allereerst dient te worden vastgesteld welke uitleg gegeven dient te worden aan de zinsnede "het verloren gaan van een caverne". Partijen verschillen daarover van mening.

De rechtbank overweegt dat het krachtens vaste rechtspraak bij de uitleg van contractsbepalingen niet aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (de zogenaamde Haviltex-regel).

Verder volgt uit het arrest DSM-Chemie/Fox dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben.

Tot slot overweegt de rechtbank dat een beding in een contract gesloten tussen professionele partijen, die bij de totstandkoming van de overeenkomst zijn begeleid door adviseurs, in beginsel grammaticaal moet worden uitgelegd, behoudens tegenbewijs (HR 4 februari 2000, NJ 2000, 562 en HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 (Meyer/Pontmeyer)).

In dit geval constateert de rechtbank dat de zinsnede 'het verloren gaan van een caverne' op verzoek van Y in de overeenkomst is opgenomen en dat X dit zonder nadere discussie heeft geaccepteerd. Nu tussen partijen geen afstemming over de betekenis van deze zinsnede heeft plaatsgevonden, kan voor de uitleg van de bepaling niet worden aangesloten bij de regel uit het Haviltex-arrest. Daar komt bij dat het in het onderhavige geval gaat om een bepaling in een overeenkomst, die is gesloten tussen professionele partijen, die bij de totstandkoming van de overeenkomst zijn begeleid door adviseurs. De rechtbank gaat, gelet hierop, voor de uitleg van de bepaling dan ook uit van de leer van de Hoge Raad, waarbij de grammaticale
uitleg centraal staat.

Naar het oordeel van de rechtbank moet onder het verloren gaan van een caverne worden verstaan dat de caverne door een van buitenkomende omstandigheid, die niet in de risicosfeer van Y ligt, definitief onbruikbaar is geworden om zout uit te winnen.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of daarvan sprake is. De rechtbank stelt vast dat de caverne niet blijvend onbruikbaar is geworden en dat het technisch haalbaar zou zijn geweest om deze weer in werking te krijgen en dat dit economisch ook rendabel zou zijn geweest. Y heeft er echter kennelijk vanwege bedrijfseconomische omstandigheden voor gekozen om de caverne niet meer operationeel te krijgen. Dat Y vervolgens bij het in bedrijf nemen van een andere caverne werd geconfronteerd met tegenslagen dient naar het oordeel van de rechtbank tot het bedrijfsrisico van Y te worden gerekend. Bij dit alles betrekt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat het in de mijnbouw kennelijk niet ongebruikelijk en zelfs bekend is dat formaties zout afbrokkelen en daarmee installaties in de winningsput kunnen beschadigen. Voor zover Y heeft beoogd om dit bedrijfsrisico uit te sluiten, had zij dit nadrukkelijk(er) dienen te bedingen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beschadiging van de caverne door een losgeraakt zoutblok niet als een van buiten komende omstandigheid als bedoeld in de overeenkomst kan worden aangemerkt, die als gevolg had dat de caverne blijvend onbruikbaar werd. De gevolgen dienen dan ook tot het bedrijfsrisico van Y te worden gerekend. Hieruit volgt dat caverne niet 'verloren is gegaan' en dat Y geen beroep op overmacht toekomt.

Ten aanzien van 2013

Ook in het jaar 2013 heeft Y niet aan de minimale stoom-afnameverplichting voldaan. Y heeft onder meer een beroep gedaan op overmacht vanwege een storm die op 28 oktober 2013 heeft plaatsgevonden. Op basis van gegevens van het KNMI blijkt, aldus Y, dat die storm als een zeer zware storm dient te worden aangemerkt en dat met name de gemeten harde windstoten slechts zeer zelden voorkomen. Volgens Y ziet de vermelding 'natuurgeweld' in de overmachtsbepaling op dergelijke uitzonderlijk zware stormen. Y heeft voorts gesteld dat zij ten gevolge van de storm minder productie heeft gedraaid dan gepland, hetgeen tot een verminderde stoomafname heeft geleid. Voorts heeft Y aangevoerd dat de verzekerbaarheid van de schade, anders dan bij een brand of een explosie, niet ter zake doet.

X heeft - samengevat - aangevoerd dat ook een zware storm op de onderhavige locatie niet als een buitengewone omstandigheid kan worden aangemerkt, al was deze storm uitzonderlijk zwaar, en dat de schade als gevolg van de storm, net als bij brand en explosies, bij Y verzekerd is althans redelijkerwijs te verzekeren was.  Verder heeft X betwist dat de stormschade heeft geleid tot de door Y gestelde verminderde stoomafname.

Oordeel Rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de overeenkomst komt partijen een beroep op overmacht toe, indien sprake is van natuurgeweld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Y met de gegevens van het KNMI haar stelling voldoende onderbouwd dat de storm van 28 oktober 2013 uitzonderlijk zwaar was, hetgeen door X bovendien ook is erkend. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van natuurgeweld als bedoeld in de overeenkomst, zodat Y terzake een beroep op overmacht toekomt.

In dit verband overweegt de rechtbank dat de verzekerbaarheid in het geval van natuurgeweld geen rol speelt bij de vraag of een der partijen een beroep op overmacht toekomt. Dit in tegenstelling tot die gevallen waarin sprake is van overmacht als gevolg van brand en explosies, waarbij expliciet is aangegeven dat een partij alleen een beroep op overmacht toekomt indien de brand of de explosie is ontstaan door externe oorzaken en indien de partij die zich daarop wil beroepen aannemelijk maakt en bewijst dat het betreffende evenement voor haar redelijkerwijze niet te verzekeren was.

De rechtbank is dus van oordeel dat de onderproductie en de verminderde stoomafname in de betreffende periode het gevolg is van overmacht, waarop door Y een beroep kon worden gedaan.