Zoeken
  1. Aansprakelijkheid ouder voor gedraging minderjarige (14-15 jaar)

Aansprakelijkheid ouder voor gedraging minderjarige (14-15 jaar)

In de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 april 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1504) gaat het om een vechtpartij tussen enkele jongens in de leeftijd van 14 en 15 jaar, ten gevolge waarvan de zoon van appellanten letsel heeft opgelopen.De zoon van appellanten stond op een plein met enkele medescholieren toen er een aantal jongens langs kwam fietsen. Een van die jongens was de zoon van geïntimeerde. Vanuit de ene groep werd geschreeuwd naar de andere groep. De zoon van geïntimeerde...
Artikel | 04 mei 2016 | Lindy Westrik
In de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 april 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1504) gaat het om een vechtpartij tussen enkele jongens in de leeftijd van 14 en 15 jaar, ten gevolge waarvan de zoon van appellanten letsel heeft opgelopen.

De zoon van appellanten stond op een plein met enkele medescholieren toen er een aantal jongens langs kwam fietsen. Een van die jongens was de zoon van geïntimeerde. Vanuit de ene groep werd geschreeuwd naar de andere groep. De zoon van geïntimeerde is vervolgens omgedraaid, van zijn fiets gestapt en heeft de zoon van appellanten op zijn gezicht geslagen, een gedeeltelijk gebroken of gescheurde oogkas ten gevolge. Hij is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld.

In de onderhavige civiele procedure vorderen appellanten schadevergoeding namens hun zoon voor het door hem opgelopen letsel (o.a. immateriële schade). De kantonrechter heeft het beroep van geïntimeerde op eigen schuld van de zoon van appellanten verworpen en geïntimeerde op grond van artikel 6:169 lid 2 BW veroordeeld tot vergoeding van de schade. Krachtens dit artikellid is de ouder (of voogd) aansprakelijk voor schadeveroorzakende gedragingen van een kind in de leeftijd van 14 of 15 jaar, tenzij de ouder (of voogd) niet kan worden verweten dat hij of zij de gedraging van het kind niet heeft belet. Dit dan naast de aansprakelijkheid van het kind zelf die bestaat ex artikel 6:162 BW. Heeft een kind immers de leeftijd van 14 jaar bereikt, dan kan een gedraging aan hem of haar als onrechtmatige daad worden toegerekend (artikel 6:164 BW). Voor die tijd zijn alleen de ouders (of voogden) risicoaansprakelijk voor de schadeveroorzakende gedragingen van het kind (artikel 6:169 lid 1 BW).

Lid 2 van artikel 6:169 BW vestigt dus geen risicoaansprakelijkheid die krachtens lid 1 van artikel 6:169 BW op de ouder (of voogd) van een kind jonger dan 14 jaar rust, maar een schuldaansprakelijkheid van de ouder (of voogd) met een omkering van de bewijslast. Het is aan de ouder (of voogd) om aannemelijk te maken dat hem of haar geen verwijt treft dat de gedraging van het kind door hem of haar niet is belet (Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek, Boek 6, art. 169, aantekening 3). Het gaat dus om aansprakelijkheid voor een eigen handelen van de ouder (‘pro se’), vanwege het niet beletten van de door het kind verrichtte, schadeveroorzakende gedraging. Daarnaast is het kind zelf aansprakelijk voor zijn eigen handelen op grond van een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW.

Appellanten gaan in hoger beroep voor wat betreft de hoogte van de door de kantonrechter toegewezen kosten en de schade. Die grieven slagen deels met als gevolg dat iets meer aan buitengerechtelijke kosten dan in eerste aanleg wordt toegewezen. Geïntimeerde stelt op haar beurt incidenteel appel in tegen de veroordeling ex artikel 6:169 lid 2 BW. Als gevolg van misverstanden heeft zij in eerste aanleg niet het verweer gevoerd dat dit artikel niet van toepassing is en zij voert het verweer in hoger beroep alsnog.

De incidentele grief slaagt. Het hof overweegt daartoe als volgt (r.o. 6.4.6):

“Ook al wijzen de ouders van [zoon appellanten] er terecht op dat art. 6:169 lid 2 BW een omkering van de bewijslast inhoudt, bij een 15-jarige jongen die gewoon naar school gaat en op weg van school naar huis een andere jongen op zijn gezicht slaat, ligt bij gebreke van aanwijzingen welke op het tegendeel wijzen voor de hand dat de moeder van [zoon geïntimeerde] dat niet heeft kunnen beletten. Dit zou, mogelijk, anders zijn indien het – vooraf - aan de moeder van [zoon geïntimeerde] bekend was dat [zoon geïntimeerde] een opvliegend en/of agressief persoon was, maar daartoe hebben de ouders van [zoon appellanten] geen concrete feiten gesteld.”

Dit is conform de ratio van lid 2 van artikel 6:169 BW. Hiermee werd immers beoogd een tussenoplossing te creëren tussen enerzijds de risicoaansprakelijkheid voor kinderen tot 14 jaar (artikel 6:169 lid 1 BW) en anderzijds de schuldaansprakelijkheid vanaf 16 jaar (artikel 6:162 BW). Het verlengen van de risicoaansprakelijkheid tot 16 jaar werd onaanvaardbaar geacht, onder meer omdat ouders (of voogden) een kind uit deze leeftijdsgroep niet geacht kunnen worden onder permanent intensief toezicht te houden (TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 680).

De tweede incidentele grief betreft de door geïntimeerde gestelde eigen schuld van de zoon van appellanten. Geïntimeerde stelt zich in dat kader op het standpunt dat de veel grotere groep waarvan de zoon van appellanten deel uitmaakte, de zoon van geïntimeerde en zijn twee vrienden provoceerden, uitscholden voor homo en hen bijna van de weg af reden. Daarna is de zoon van geïntimeerde omgedraaid, van zijn fiets gestapt en heeft hij de zoon van appellanten in zijn gezicht geslagen. Niet duidelijk is of de zoon van appellanten actief heeft deelgenomen aan de scheldpartij. Geïntimeerde meent echter dat de eigen schuld van de zoon van appellanten daarin is gelegen dat hij is blijven staan toen haar zoon zich omdraaide en zich niet van het gedrag van zijn groepsleden heeft gedistantieerd, waardoor hij de indruk heeft gewekt dat hij zich verenigde met het gedrag van de groep.

Het lijkt erop dat geïntimeerde zich in het kader van het door haar gevoerde eigen schuldverweer heeft laten inspireren door de groepsaansprakelijkheid die is neergelegd in artikel 6:166 BW, in welk artikel is bepaald dat wanneer één van de tot een groep behorende personen onrechtmatige schade toebrengt aan een derde en de kans op het toebrengen van schade de groepsleden had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, alle groepsleden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de toegebrachte schade. Ook al heeft een groepslid dus niet feitelijk de schade toegebracht, als hij deel uitmaakte van een groep waarin een of meerdere personen schade hebben aangericht en hij zich niet van het handelen in groepsverband heeft gedistantieerd, dan is hij alsnog (hoofdelijk) aansprakelijk voor de (gehele) schade.

Het hof gaat niet mee in dit eigen schuldverweer van geïntimeerde. Het hof overweegt daartoe, dat (r.o. 6.9.1):

“Het gedrag van [zoon appellanten] en de zijnen, zoals door de moeder van [zoon geïntimeerde] onder A. en B. weergegeven, moge – indien waar – (uiterst) irritant of zelfs meer dan dat zijn geweest, doch rechtvaardigt op geen enkele wijze het gedrag van [zoon geïntimeerde], ook niet een klein beetje. De fout lag voor de volle 100 % bij [zoon geïntimeerde] , die zoals omschreven sub C. heeft gemeend er goed aan te doen niet verder naar huis te fietsen, doch terug te keren. Met het gestelde sub E. draait de moeder van [zoon geïntimeerde] de zaken geheel om: ook al zou het verstandiger zijn geweest als [zoon appellanten] zich had verwijderd, het feit dat hij bleef staan en dat [zoon geïntimeerde] op hem af kwam impliceert geen eigen schuld van [zoon appellanten], ook niet een klein beetje, als hij vervolgens door [zoon geïntimeerde] op zijn gezicht wordt geslagen.”

De incidentele grief slaag dus niet.

Het vonnis van de kantonrechter wordt door het hof vernietigd en de vordering tot schadevergoeding gericht tegen geïntimeerde pro se, aldus uit aansprakelijkheid voor een eigen handelen, wordt alsnog afgewezen. De zoon van geïntimeerde, in de procedure wettelijk vertegenwoordigd door geïntimeerde (q.q.), wordt veroordeeld in de schade.

Onder de streep blijft de veroordeling van geïntimeerde in de schade dus staan, met als verschil dat de schade bij de veroordeling van geïntimeerde q.q., aldus als wettelijk vertegenwoordiger van haar zoon, alleen op het vermogen van de zoon kan worden verhaald en niet op het vermogen van geïntimeerde zelf als vertegenwoordiger van haar zoon, hetgeen bij de veroordeling pro se – aldus voor een eigen handelen van de ouder – wel het geval is.