1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Boedelvordering? Vergeet de (boete)rente niet!

Boedelvordering? Vergeet de (boete)rente niet!

Hebt u een boedelvordering ingediend in een faillissement? Denk er dan aan dat u aanspraak kunt maken op rente! Let wel op: het is belangrijk om de verjaring van een dergelijke vordering tijdig te stuiten. In deze blog bespreken wij een recent voorbeeld van (gedeeltelijke) verjaring.
Leestijd 
Auteur artikel Tristan Bron
Gepubliceerd 18 augustus 2023
Laatst gewijzigd 18 augustus 2023

Rente: een boedelvordering?

De curator kan een huurovereenkomst opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van in elk geval drie maanden. De huur die over opzegperiode is verschuldigd, vormt een boedelvordering; een rechtstreekse aanspraak op de boedel.

In een arrest van 24 december 2021 verduidelijkte de Hoge Raad al dat indien een contractuele vertragingsrente is overeengekomen, deze rente over de opzeggingsperiode in faillissement een boedelschuld vormt. Met andere woorden: indien de curator tijdens de opzeggingsperiode de huurtermijn(en) niet kan voldoen, vormen zowel de huurtermijn(en) als de contractuele vertragingsrente daarover, boedelvorderingen.

De periode waarin een faillissement wordt afgewikkeld, verschilt in de praktijk. Afhankelijk van bijvoorbeeld de omvang van de failliete rechtspersoon varieert de afwikkeltijd van een jaar tot meer dan vijftien jaar. De lengte van de afwikkelperiode kan gevolgen hebben voor een boedelvordering tot contractuele vertragingsrente. Dat is immers een vordering tot betaling van een geldsom, die na een periode van vijf jaar verjaart. Hoe wordt daarmee in een faillissement omgegaan? De Rechtbank Den Haag heeft zich onlangs over een dergelijke zaak gebogen.

Contractuele boeterente en verjaring

In deze zaak hadden huurder en verhuurder met ingang van 1 maart 2006 een huurovereenkomst voor de duur van vijf jaar gesloten. De huurtermijnen bedroegen € 29.741,62 per kwartaal, waarover op basis van de toepasselijke algemene voorwaarden een direct opeisbare boeterente van 2% per kalendermaand verschuldigd zou worden indien de huurder de verschuldigde huurtermijn niet (tijdig) voldoet – een bepaling die vaak wordt overgenomen uit ROZ-modellen. Huurder heeft ten behoeve van verhuurder voor alle vorderingen die onder de huurovereenkomst zullen ontstaan, een bankgarantie laten afgeven.

Bij vonnis van 4 februari 2009 wordt het faillissement van de huurder uitgesproken, waarna de aangestelde curatoren de huurovereenkomst tegen een termijn van bijna drie maanden opzeggen. De opzegging resulteert in een boedelvordering ter zake de huur over de opzegperiode, zijnde een bedrag van € 23.097,17. De verhuurder roept vervolgens de bankgarantie in wegens de (leegstand)schade die zij lijdt door de opzegging van de huurovereenkomst door de curatoren.

Nadat de curatoren bekend zijn geworden met bovengenoemd arrest van de Hoge Raad, vragen zij in 2022 – het faillissement is dan nog niet afgewikkeld – aan de verhuurder of die aanspraak op de vertragingsrente wil maken. Dat blijkt het geval als de verhuurder in september 2022 reageert. Het door de verhuurder becijferde bedrag van € 566.377,42 achten de curatoren evenwel te hoog. Daarop maakt de verhuurder deze procedure aanhangig.

In de procedure stelt een voormalig vennoot van de verhuurder zich op het standpunt dat de huur over de opzegtermijn een boedelschuld vormt, dat die boedelschuld niet is voldaan door het inroepen van de bankgarantie en dat de contractuele boeterente over de huurvordering als boedelvordering dient te worden aangemerkt. Belangrijk detail: tussen de opzegperiode in 2009 en deze procedure zit een periode van bijna veertien jaar, terwijl de boeterente 2% per kalendermaand bedraagt.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelt eerst dat het inroepen van de bankgarantie ziet op vergoeding van schade. Die schade is volgens de rechtbank gelegen in de leegstandschade als gevolg van de opzegging. De verschuldigde huurtermijn over de opzegperiode vormt geen schade, aangezien de opzegging door de curatoren een reguliere wijze van opzegging is. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat ook de boeterente een boedelvordering vormt, waarbij hij verwijst naar bovenvermeld arrest van de Hoge Raad.

Maar, is de vordering tot betaling van de boeterente niet verjaard? De rechtbank oordeelt dat daarvan deels sprake is. De vordering tot betaling van boeterente na de opzegperiode tot en met september 2017 is verjaard. Verhuurder heeft namelijk niet eerder dan in september 2022 kenbaar gemaakt aanspraak te willen maken op de boeterente. De verjaring is daardoor niet tijdig gestuit.

De rechtbank oordeelt evenwel ook dat de boeterente vanaf september 2017 tot de dag waarop wordt betaald, verschuldigd is en veroordeelt de boedel tot betaling van het te bepalen bedrag. De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van de hoogte van de boeterente een latere brief van verhuurder. Daarin staat namelijk dat de boeterente vanaf september 2017 tot en met januari 2022 een bedrag van € 49.111,79 omvat. Ruim tweemaal de huur over de opzegtermijn dus. Een beroep van de curatoren op matiging van dat bedrag wijst de rechtbank af.

Conclusie

De uitspraak van de rechtbank maakt twee dingen duidelijk. Ten eerste, is het belangrijk om een overeenkomsten zorgvuldig te formuleren op welke wijze (boete)rente verschuldigd is. In dit geval cumuleerde de boeterente steeds per kalendermaand, waardoor een deel van de vordering is verjaard in plaats van de gehele vordering.

Daarnaast is het belangrijk om steeds tijdig de verjaring te stuiten. Houd goed in de gaten welke afspraken u maakt, welke verplichtingen daaruit voortvloeien en onderneem op tijd actie. Wilt u het meeste uit een boedelvordering halen? Neem dan contact op met Steven Effting en Tristan Bron.