De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. HET REGRESVERBOD EX ARTIKEL 7:962 LID 3 BW EN INLEEN

HET REGRESVERBOD EX ARTIKEL 7:962 LID 3 BW EN INLEEN

In de moderne maatschappij komt het veelvuldig voor dat rechtspersonen (een deel van) hun werkzaamheden uitbesteden aan derden met wie zij geen arbeidsovereenkomst hebben. Denk bijvoorbeeld aan ZZP’ers. De voordelen – zoals het niet hoeven sluiten van een arbeidsovereenkomst met vergaande verplichtingen, ook als er bijvoorbeeld geen werk te vergeven is – die dit voor inleners biedt, die zijn bekend.De rechtspositie van deze flexibele werkkrachten zelf is door de wetgever vergaand beschermd. D...
Auteur artikel René Wildenburg
Gepubliceerd 28 januari 2014
Laatst gewijzigd 16 april 2018
Leestijd 
In de moderne maatschappij komt het veelvuldig voor dat rechtspersonen (een deel van) hun werkzaamheden uitbesteden aan derden met wie zij geen arbeidsovereenkomst hebben. Denk bijvoorbeeld aan ZZP’ers. De voordelen – zoals het niet hoeven sluiten van een arbeidsovereenkomst met vergaande verplichtingen, ook als er bijvoorbeeld geen werk te vergeven is – die dit voor inleners biedt, die zijn bekend.

De rechtspositie van deze flexibele werkkrachten zelf is door de wetgever vergaand beschermd. Denk bijvoorbeeld aan ongevallen op het werk. Als zo’n flexibele werknemer een arbeidsongeval overkomt, waarbij een werkgever (inlener) een verwijt treft zoals bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW, dan heeft deze flexibele werknemer dezelfde rechten richting deze werkgever als zijn eigen werknemer(s) – als die het ongeval was/waren overkomen - met wie hij wel een arbeidsovereenkomst heeft. Dit volgt uit artikel 7:658 lid 4 BW.

Stel nu dat de zorgverzekeraar van het slachtoffer (de ZZP’er) als gevolg van het arbeidsongeval zoals hiervoor bedoeld de zorgkosten vergoedt. Mag deze zorgverzekeraar dan die uitkeringen verhalen op de inlener? Deze vraag houdt de rechtspraktijk al enige tijd (druk) bezig.

Artikel 7:962 lid 3 BW stelt dat – kort samengevat en voor zover hier relevant – de verzekeraar geen vordering verkrijgt op de werkgever van de verzekerde. Aldus geen subrogatie. Dat de wet geen tekstueel onderscheid maakt tussen de formele werkgever (met wie er een arbeidsovereenkomst is) en de materiële werkgever (met wie er geen arbeidsovereenkomst is; de inlener), is naar mijn oordeel een aanwijzig dat het regresrecht in beide instanties (en aldus onverkort) geldt. Anders had de wetgever toch wel in 2005 (titel 17 van boek 7 waarin het Verzekeringsrecht is vervat, is per 1 januari 2006 van toepassing) een tekstueel onderscheid gemaakt? De vraag stellen is hem beantwoorden, zo komt mij voor.

In de jurisprudentie in de rechtspraktijk wordt ook wel gesteld dat het doel van het regresverbod hier niet aan de orde is. Kort gezegd zou met het regresverbod bedoeld zijn ‘gedonder op de werkvloer’ te voorkomen. Men zou niet willen dat de werkgever tegenover de werknemer zou komen te staan, omdat de verzekeraar van de werknemer verhaal neemt op de werkgever. Dit zou niet aan de orde zijn bij flexibele arbeidskrachten. Enkel indien er sprake zou zijn van een duurzame verhouding tussen de werkgever en de werknemer zou het regresverbod gelden. Nog daargelaten dat de werkgever veelvuldig verzekerd is tegen aanspraken zoals hier bedoeld, blijkt van deze eis niet in de wettekst van artikel 7:962 lid 3 BW. Bovendien, wat is duurzaam? In de relatie tussen echtgenoot en geregistreerde partner enerzijds en de verzekeraar van de andere echtgenoot/geregistreerde partner geldt ook een regresverbod. Die relatie hoeft bepaald niet duurzaam te zijn en kan van het één op het andere moment tot een einde komen. Immers, één op de drie relaties strandt. Bovendien, de eis van de duurzaamheid sluit geenszins aan bij de praktijk van alledag.

De rechtbank Amsterdam heeft inmiddels bij vonnis van 28 november 2012 (zaaknummer/rolnummer: 514340 / HA ZA 12-431) bepaald dat er mede gelet op de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt geen aanleiding bestaat om in het kader van artikel 7:962 lid 3 BW onderscheid te maken tussen de formele en de materiële werkgever (inlener). Vanuit de jurisprudentie zijn er ook wel andere (lagere) uitspraken bekend met een andere inhoud en uitkomst. Bepaald van belang is dan ook dat nu het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 29 oktober 2013 (ECLI: NL: GHANS: 2013: 3717) de hiervoor aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam heeft bekrachtigd. Kortom, geen regres indien er sprake is van inleen. Een gedachtegang die ik al geruime tijd onderschrijf én in en buiten rechte bepleit.

Waar er nu tegengestelde jurisprudentie voorhanden is, maar (uit)eindelijk ook een gerechtshof over deze kwestie heeft beslist, is het wachten op een uitspraak van de Hoge Raad. In zoverre is het te hopen dat er in voornoemde kwestie door de in het ongelijk gestelde zorgverzekeraar cassatieberoep bij de Hoge Raad wordt ingesteld. De materie leent zich uitstekend voor een principiële uitspraak van de Hoge Raad. De praktijk is met een dergelijke uitspraak gebaat. Aan de hand van die uitspraak kunnen immers de nodige dossiers ofwel direct gesloten worden ofwel (financieel afgewikkeld worden, terwijl er dan in de toekomst over deze rechtsvraag niet verder geprocedeerd hoeft te worden.