Zoeken
  1. Juridische splitsing en (de intrekking van) een 403-verklaring

Juridische splitsing en (de intrekking van) een 403-verklaring

Ter inleidingKenmerkend voor juridische fusie en splitsing is de overgang van vermogen onder algemene titel. In geval van splitsing kan sprake zijn van gehele of gedeeltelijke overgang van vermogen, waarbij de rechtspersoon verdwijnt (zuivere splitsing) of blijft bestaan (afsplitsing). De wettelijke regeling met betrekking tot splitsing is gebaseerd op de zesde EEG-richtlijn en is in algemene zin gericht op het beschermen van de belangen van bij de splitsing betrokken partijen (crediteurenbes...
Artikel | 19 juli 2016 | Eva Nass
Ter inleiding
Kenmerkend voor juridische fusie en splitsing is de overgang van vermogen onder algemene titel. In geval van splitsing kan sprake zijn van gehele of gedeeltelijke overgang van vermogen, waarbij de rechtspersoon verdwijnt (zuivere splitsing) of blijft bestaan (afsplitsing). De wettelijke regeling met betrekking tot splitsing is gebaseerd op de zesde EEG-richtlijn en is in algemene zin gericht op het beschermen van de belangen van bij de splitsing betrokken partijen (crediteurenbescherming). Een specifieke beschermingsbepaling is opgenomen in art. 2:334r BW waar is bepaald dat wanneer een overeenkomst met een contractpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand kan blijven, de rechter deze overeenkomst kan ontbinden of wijzigen.

Indien een van de bij een splitsing betrokken partijen een 403-verklaring heeft gegeven dan wel ten behoeve van een van die partijen een 403-verklaring is gegeven komt aan de orde wat het gevolg is van de splitsing voor de werking van die verklaring van hoofdelijke medeaansprakelijkheid.

Rechtspraak hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2016:2158)
In een recent arrest wordt het hof in Amsterdam een geschil voorgelegd waar de toepassing van voormeld art. 2:334r BW aan de orde is. In deze casus wordt de rechter door een verhuurder gevraagd een huurovereenkomst te wijzigen. Samengevat komt het er op neer dat de huurder op enig moment is gesplitst, als gevolg waarvan de huurovereenkomst onder algemene titel is overgegaan op een andere vennootschap, overigens wel binnen het concern van de eerdere huurder. Naar het oordeel van de verhuurder is zij als gevolg van de splitsing in een nadeliger positie geraakt.
Van benadeling is naar het oordeel van verhuurder sprake omdat (i) de nieuwe huurder een andere positie heeft binnen het concern waartoe huurder behoort (niet langer de ‘spil’ van het concern, met een hoog balanstotaal, maar een ‘onderaan’ het concern hangende vennootschap met beperkte activa) en (ii) in het kader van de splitsing de door de moedermaatschappij van de eerdere huurder verstrekte 403-verklaring is ingetrokken (alsmede – enige tijd na de splitsing – de overblijvende aansprakelijkheid is beëindigd).

Wat betreft het beroep van verhuurder op de ingetrokken 403-verklaring is van belang dat die intrekking tot gevolg heeft dat verhuurder niet langer twee debiteuren heeft bij wie hij verhaal kan zoeken in verband met verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst, de eerdere huurder en de moedermaatschappij. Na intrekking heeft hij nog ‘slechts’ één debiteur: de nieuwe huurder. Omdat ook de overblijvende aansprakelijkheid (voor schulden die zijn ontstaat voorafgaand aan de intrekking van de 403-verklaring) is beëindigd is van een verhaalsmogelijkheid voor reeds opgekomen schulden ook niet langer sprake.
Het hof overweegt dat de enkele omstandigheid dat de verkrijgende vennootschap (de nieuwe huurder) minder verhaal biedt dan de splitsende vennootschap (de oude huurder) onvoldoende grondslag biedt voor het oordeel dat de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand behoort te blijven. Met betrekking tot de intrekking van de 403-verklaring in het bijzonder overweegt het hof dat deze in feite losstaat van de splitsing; de intrekking van de 403-verklaring kan niet worden aangemerkt als gevolg van de splitsing. Verhuurder’s beroep op art. 2:334r BW wordt afgewezen.

Met betrekking tot het beroep van verhuurder op de intrekking van de 403-verklaring is volgens het hof van belang dat een 403-verklaring op ieder willekeurig moment kan worden ingetrokken. Daartoe is een afzonderlijke beslissing van de moedermaatschappij vereist, die in feite op geen enkele manier gerelateerd is (hoeft te zijn) aan de splitsing. Die overweging is juist, intrekking van de 403-verklaring is geen – automatisch – gevolg van de spliting. In de praktijk zal er vanzelfsprekend een verband zijn tussen de splitsing en de intrekking; voor een moedermaatschappij kan wijziging van de structuur van een concern aanleiding zijn om gestelde aansprakelijkheden (onder meer in de vorm van een 403-verklaring) te heroverwegen, in verband met strategische overwegingen (faillissement van de ene groepsmaatschappij moet koste wat het kost worden voorkomen, terwijl het strategisch belang van een andere groepsmaatschappij minder zwaar weegt).