De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Warmtewet 2.0 (deel II)

Warmtewet 2.0 (deel II)

In de zomer van 2020 heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat de Wet collectieve warmtevoorziening (“Warmtewet 2.0”) ter consultatie gelegd. In het eerste deel van mijn blogreeks over de Warmtewet 2.0 ben ik ingegaan op de hoofdlijnen van de beoogde veranderingen ten opzichte van de huidige Warmtewet. In december 2020 heeft de Minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de internetconsultatie. Dit heeft geleid tot een aantal wijzigingen in het wetsvoorstel. Enkele van deze wijzigingen komen hierna aan bod.
Leestijd 
Auteur artikel Harm van Schilt
Gepubliceerd 01 maart 2021
Laatst gewijzigd 01 maart 2021
 

Verzoek om meer ruimte voor samenwerking

Bij de internconsultatie bleek dat diverse partijen van mening zijn dat het wetsvoorstel onvoldoende ruimte biedt voor verschillende samenwerkingsvormen tussen partijen. Een van de discussiepunten betrof het feit dat de economische eigendom van het warmtenet, op grond van het wetsvoorstel, altijd in handen dient te zijn van het aangewezen warmtebedrijf. Uit een aantal hoeken is de wens geuit om ook netwerkbedrijven, waaronder netbeheerders van elektriciteits- en gasnetten, een rol te geven bij de realisatie van collectieve warmtevoorzieningen.

Het voorgaande heeft geleid tot een wijziging van het wetsvoorstel in die zin dat diverse samenwerkingsvormen worden mogelijk gemaakt. Daarbij blijft het ‘uitgangspunt’ (lees: vereiste) dat het door de gemeente aangewezen warmtebedrijf de integrale verantwoordelijkheid draagt voor de collectieve warmtevoorziening binnen zijn aangewezen gebied (‘warmtekavel’). Het is dan ook een noodzakelijke voorwaarde dat het warmtebedrijf kan beschikken over het warmtesysteem.

Drie samenwerkingsvormen voor een afgewezen warmtebedrijf worden nu mogelijk gemaakt:

  • Het warmtebedrijf, dat beschikt over de economische eigendom van het warmtenet, kan de productie van warmte uitbesteden aan derden.
  • Het warmtebedrijf kan samenwerken met een warmtenetbedrijf dat beschikt over het economisch eigendom van het warmtenet en dit bedrijf kan de werkzaamheden die zien op aanleg, onderhoud en beheer van het warmtenet of het transport van warmte voor zijn rekening nemen. Andere werkzaamheden kunnen alsnog aan derden worden uitbesteed.
  • De derde optie is een warmte joint-venture waarbinnen een warmteleveringsbedrijf en een warmtenetbedrijf samenwerken. Daarbij beschikt het warmtenetbedrijf over de economische eigendom van het warmtenet. Ook andere partijen kunnen deel uitmaken van de joint venture en de joint venture kan werk uitbesteden aan derden.

Aan de samenwerkingsovereenkomst voor de samenwerkingsvorm 2 en 3 worden extra eisen gesteld, omdat het warmtebedrijf niet het economisch eigendom van het warmtenet heeft, maar wel integraal verantwoordelijk is voor het functioneren van het collectieve warmtesysteem. De ACM zal toezicht houden op deze samenwerkingsvormen.

De integrale verantwoordelijkheid van het aangewezen warmtebedrijf wordt aldus niet aangetast, maar het aangepaste wetsvoorstel maakt meerdere samenwerkingsvormen mogelijk. Het dient uiteraard te worden bezien hoe hier in de praktijk mee zal worden omgegaan, indien het wetsvoorstel wordt aangenomen. Het lijkt vooralsnog een goede zaak – met het oog op de eerder besproken doelstellingen van de Warmtewet 2.0 – dat er meerdere samenwerkingsvormen mogelijk worden gemaakt.

 

Verhoging grens kleine collectieve warmtesystemen

De Warmtewet 2.0 laat ruimte voor lokale initiatieven, waaronder bewoner/buurtinitiatieven, die zien op een duurzame collectieve warmtevoorziening. Er kan immers ontheffing worden verleend op het verbod om zonder aanwijzing van de gemeente warmte te leveren en te transporteren. In het wetsvoorstel (zie artikel 3.1 e.v.) was de grens voor een dergelijk initiatief 500 kleinverbruikers.

In het aangepaste wetsvoorstel wordt deze grens echter verhoogd naar 1500 verbruikers (klein- én grootverbruikers). Hiermee meent de Minister de balans te hebben gevonden tussen enerzijds de mogelijkheid om lokale initiatieven meer ruimte te bieden en anderzijds het feit dat een beperkte groep verbruikers in dat geval een verminderde (tarief)bescherming heeft. Voor deze ‘kleine collectieve warmtesystemen’ gelden immers andere regels (hoofdstuk 3 Warmtewet 2.0).

 

Vervolg

De Minister streeft ernaar om het wetsvoorstel op korte termijn aan de Tweede Kamer aan te bieden. Of dat – gezien de aankomende verkiezingen – lukt, valt nog te bezien. Deze en andere ontwikkelingen met betrekking tot de Warmtewet 2.0 houd ik in de gaten en komen verder aan bod in deze blogreeks.