Zoeken
  1. Afgifte en inzage in e-mails van bestuurders: hoe ver reikt de bevoegdheid van de curator?

Afgifte en inzage in e-mails van bestuurders: hoe ver reikt de bevoegdheid van de curator?

In het faillissement van enkele Paradigit-vennootschappen heeft de curator als onderdeel van de administratie van de failliete vennootschappen bij de rechtbank Oost-Brabant om inzage in e-mailboxen van twee bestuurders verzocht. Komt de curator inderdaad een onbeperkt en onvoorwaardelijk recht op inzage toe, ook waar het gaat om e-mails met privédoeleinden?
Auteur artikelLieke Carrière - Verlinden
Gepubliceerd19 augustus 2019
Laatst gewijzigd19 augustus 2019
Leestijd 

Afgifte en inzage in e-mails van bestuurders: hoe ver reikt de bevoegdheid van de curator?

In het faillissement van enkele Paradigit-vennootschappen  heeft de curator als onderdeel van de administratie van de failliete vennootschappen bij de rechtbank Oost-Brabant om inzage in e-mailboxen van twee bestuurders verzocht. Komt de curator inderdaad een onbeperkt en onvoorwaardelijk recht op inzage toe, ook waar het gaat om e-mails met privédoeleinden?

Inzage toegestaan?

De curator stelt dat de e-mailboxen die de bestuurders gebruikten tot de administratie van de failliete Paradigit-vennootschappen behoorden. Dit geldt volgens hem in ieder geval voor correspondentie met betrekking tot aangelegenheden van of met de failliete vennootschappen.

In dit geval is de administratie van de Paradigit-vennootschappen veiliggesteld door een externe partij door het maken van een image van de server. Vast staat dus dat alle correspondentie bewaard is gebleven. De vraag die voorligt is of de curator op grond van art. 92 Fw bevoegd is kennis te nemen van alle gegevens die zijn veilig gesteld.

Relevante bijkomstigheden zijn dat (i) de server waarop de administratie zich bevindt geen eigendom is van één van de failliete Paradigit-vennootschappen, (ii) de extensie @paradigit.nl eigendom is van een andere, niet-failliete Paradigit-vennootschap, (iii) alle e-mailcorrespondentie met betrekking tot alle vennootschappen van de Paradigit-groep via dezelfde e-mailadressen zijn verlopen en (iv) de e-mailboxen door de bestuurders ook voor privédoeleinden zijn gebruikt.

De rechtbank formuleert een ruim uitgangspunt:

“Uit artikel 92 Fw vloeit de taak van de curator voort om onmiddellijk na zijn benoeming alles in het werk te stellen om – onder meer – de administratie en alle aanwezige informatie daarover veilig te stellen voor zijn latere onderzoek daarvan in het belang van de boedel. Tot genoemde ‘bescheiden en andere gegevensdragers’ behoren tevens digitale bestanden waarop zich dergelijke informatie bevindt, dan wel redelijkerwijs vermoed kan worden zich daarop te bevinden.” (r.o. 4.5)

Server
De rechtbank vervolgt met de overweging dat het feit dat de server waarop de administratie van de failliete Paradigit-vennootschap zich bevindt geen eigendom is van één van die vennootschappen, niet aan inzage of afgifte aan de curator in de weg staat. Ook tot de administratie behorende (e-mail)gegevens die zich op een aan een derde toebehorende server bevinden, vallen onder het bereik van art. 92 Fw:

“Zou dit niet het geval zijn, dan kan op zeer eenvoudige wijze (een deel van) de administratie aan de werking van artikel 92 Fw worden onttrokken. Daarmee zou artikel 92 Fw, als het gaat om administratie die op digitale wijze wordt bewaard, buiten spel gezet kunnen worden. In het verlengde daarvan zou de curator zijn algemene taak betreffende het beheer en de vereffening van de boedel (artikel 68 Fw) niet naar behoren kunnen uitvoeren. Het strookt met de kennelijke bedoeling van de wetgever en het past in het stelsel van de wet om de curator het recht toe te kennen tot het veiligstellen van data van failliet op gegevensdragers van derden (vgl. Rb. Breda 31 juli 2008, JOR 2008/254 (Janssens q.q./Schlüter)).” (r.o. 4.6)

Niet relevant is dus dat een andere dan de failliete vennootschappen eigenaar is van de server waarop de e-mailboxen zich bevinden.

Extensie
Eenzelfde lot is beschoren voor het verweer dat de extensie @paradigit.nl eigendom is van een andere niet failliete Paradigit-vennootschap en de e-mailboxen daarom geen deel uitmaken van de administratie van de failliete Paradigit-vennootschappen:

“Onder de administratie van een failliet valt naar het oordeel van de rechtbank ook de e-mailcorrespondentie van de failliet. Daarom moet wanneer er sprake is van e-mailcorrespondentie die wordt gevoerd met behulp van de e-mailadressen van een failliet, deze tot de administratie van de failliet gerekend worden. Dat volgens [gedaagden] niet alle e-mailberichten die zich in een e-mailbox bevinden van belang zijn voor het kunnen kennen van de rechten en plichten van een vennootschap (vgl. artikel 2:10 BW), zoals ongewenste mail, reclame en irrelevante mail, leidt niet tot een ander oordeel.

Vast staat dat ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deze e-mailextensie gebruikten voor al hun zakelijke e-mailverkeer, waaronder dus ook de uitoefening van hun bestuurstaak, met betrekking tot alle ondernemingen binnen de Paradigit-groep. Voor de werking van artikel 92 Fw moeten daarom de e-mailadressen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor zover het de failliete Paradigit-vennootschappen betreft, worden beschouwd als e-mailadressen van die vennootschappen en daarmee als onderdeel van de administratie van die vennootschappen. Een ander oordeel zou betekenen dat door simpelweg een e-mailextensie te gebruiken die eigendom is van een derde, dit deel van de administratie aan de werking van artikel 92 Fw kan worden onttrokken. Dat is in strijd met de bedoeling van artikel 92 Fw.” (r.o. 4.7 en 4.8)

Geen afhankelijkheid van het bestuur
Door de bestuurders wordt vervolgens aangevoerd dat de curator al over alle relevante informatie zou beschikken. Niet alleen zou de volledige administratie ter beschikking zijn gesteld, maar ook zouden e-mailboxen van medewerkers en mappen uit de e-mailboxen van de bestuurders zijn gedeeld. De rechtbank acht dit echter niet voldoende.

Een curator dient niet afhankelijk te zijn van het bestuur voor hetgeen waarin hij wel en niet inzage krijgt. Van de curator kan niet worden verlangd dat deze moet vertrouwen op de mededeling dat in dit geval alle e-mailcorrespondentie van de bestuurders beperkt was tot e-mailverkeer met de medewerkers van de failliete Paradigit-vennootschappen. Het is verder niet aan de curator om concreet aan te geven welke gegevens ontbreken. De curator kan immers niet vragen om gegevens waarvan hij het bestaan niet kent. Een curator kan bij de uitoefening van zijn wettelijke taak (art. 68 Fw) naar eigen inzicht handelen, zonder aan iemands bevelen of goedkeuring onderworpen te zijn.

Ook het verweer dat de curator geen recht heeft op toegang tot e-mailcorrespondentie die behoort tot de administratie van derden – hoewel dat (in beginsel) juist is – redt het niet.

De rechtbank oordeelt dat het, vanwege het zelfgekozen systeem van hantering van e-mailadressen binnen de Paradigit-groep, in dit geval onvermijdelijk is dat de curator inzage krijgt in gegevens die mogelijk behoren tot de administratie van derden (andere niet-failliete vennootschappen). Daarbij wordt wel overwogen dat de curator de gegevens van andere vennootschappen dan de failliete Paradigit-vennootschappen, waarop hij dus geen recht heeft, als ‘ongelezen’ terzijde moet leggen. De rechtbank vertrouwt in dit geval op behoedzaamheid van de curator en ziet geen aanleiding op dit punt een nadere voorziening te treffen.

Privacy – persoonsgegevens
De bestuurders voeren vervolgens als verweer dat wettelijke geheimhoudingsplichten van de vennootschappen binnen de Paradigit-groep zich verzetten tegen vrijgave van alle data op de server. Dit zou zowel zien op het verwerken van persoonsgegevens van klanten en leveranciers door niet-failliete vennootschappen als op de privacy van werknemers van de Paradigit-groep en vertrouwelijke bedrijfsinformatie van niet failliete vennootschappen. Ook hierin gaat de rechtbank niet mee:

“Op de eerste plaats zien de AVG en de Uitvoeringswet AVG op de verwerking van persoonsgegevens. Bedrijfsinformatie valt daar niet onder. Op de tweede plaats is, zoals hiervoor in r.o. 4.3. al is overwogen, het geschil tussen partijen beperkt tot de inzage/afgifte van de e-mailboxen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. De rechtbank is van oordeel dat voor zover die e-mailboxen persoonsgegevens als bedoeld in de AVG en de Uitvoeringswet AVG bevatten, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat verstrekking van die gegevens aan de curator in het kader van de uitoefening van zijn wettelijke taak in strijd is met de AVG of de Uitvoeringswet AVG. Het enkele wijzen op de verantwoordelijkheid die een bewerker op grond van de WPB (lees: AVG en Uitvoeringswet AVG), heeft, is daartoe onvoldoende. In de considerans van de AVG is namelijk onder meer opgenomen dat rechtmatige verwerking van persoonsgegevens (waaronder afgifte aan een derde valt, Rb) een gerechtvaardigde grondslag vereist waarin de wet voorziet. Die gerechtvaardigde grondslag wordt in dit geval naar het oordeel van de rechtbank gevormd door de artikelen 68 Fw en 92 Fw.” (r.o. 4.13)

Privégebruik zakelijke e-mailboxen
Tot slot doen de bestuurders een beroep op het gegeven dat de e-mailboxen ook zijn gebruikt voor privédoeleinden evenals voor maatschappelijke en zakelijke functies die zij bekleden of hebben bekleed. Inzage in de e-mailboxen zou dan ook leiden tot ongeoorloofde inmenging in het privéleven van de bestuurders en zou strijdig zijn met de artt. 10 en 13 van de Grondwet en art. 8 EVRM.

Art. 10 Grondwet beschermt het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Art. 13 Grondwet bevat het briefgeheim. Volgens de rechtbank valt e-mailverkeer (nog) niet onder het bereik van art. 13 Grondwet. Art. 10 Grondwet behoeft volgens de rechtbank geen bespreking aangezien ook een beroep is gedaan op het verdergaande art. 8 EVRM. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt:

“Beperking van het respecteren van het correspondentiegeheim kan volgens artikel 8 EVRM alleen als die beperkingen zijn gebaseerd op een wettelijke regeling en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving in het belang van de in artikel 8, lid 2 EVRM genoemde doeleinden, wat inhoudt dat de beperking proportioneel moet zijn in verhouding tot het doel dat ermee wordt gediend. De nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, voorkoming van wanordelijkheden of strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen vormen een legitiem doel voor beperkingen.

De rechtbank is van oordeel dat de vereiste wettelijke regeling voor de beperking van het grondrecht in dit geval is gelegen in artikel 92 jo. 68 Fw. Met betrekking tot de overige hiervoor genoemde vereisten voor beperking van het grondrecht van artikel 8 EVRM zoekt de rechtbank aansluiting bij het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 20 september 2000, zaak 33274/96 (Foxley/Engeland). In dat arrest was – kort gezegd – sprake van een postblokkade en moest het EHRM zich uitspreken over het door de curator openen en lezen van brieven aan een failliet. Uit dat arrest blijkt dat de bescherming van de rechten van schuldeisers een legitiem doel is voor beperking van het grondrecht van artikel 8 EVRM. Het EHRM oordeelde dat een postblokkade, met kennisneming van de inhoud van de correspondentie, is toegestaan voor opsporing van activa, maar dat dit wel gepaard moet gaan met adequate en effectieve maatregelen zodat de beperking van het briefgeheim tot een minimum wordt beperkt. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de reikwijdte van artikel 8 EVRM, wat het EHRM heeft geoordeeld ook van toepassing is in het geval geen sprake is van correspondentie door middel van brieven, maar via e-mail.” (r.o. 4.18 en 4.19)

In dit geval heeft de curator geen concrete grond aangevoerd waarom in dit geval de noodzaak bestaat ook kennis te nemen van privécorrespondentie anders dan dat hij daartoe op grond van art. 92 Fw bevoegd is. Het doet er volgens de rechtbank hier niet toe dat de bestuurders er zelf voor gekozen hebben hun privémail via hun zakelijke e-mailadres te laten verlopen. Het verweer van de bestuurders slaagt op dit punt dan ook. Het belang van de bestuurders bij bescherming van hun privéleven en correspondentie weegt zwaarder dan het belang van de curator bij onbeperkte inzage in de e-mailboxen.

De curator heeft dus geen recht op onbeperkte en onvoorwaardelijke inzage in de e-mailboxen van de bestuurders.

Conclusie en vervolg

Het recht op inzage van administratie van failliete vennootschappen door een curator gaat ver. Dat inzagerecht wordt niet zomaar tegengehouden door een server en extensie die eigendom van een ander zijn en evenmin door het ter beschikking stellen van e-mailcorrespondentie die door het bestuur zelf is geselecteerd. Het argument dat het wel redt is het beroep op art. 8 EVRM in het kader van het gebruik van de e-mailboxen voor privédoeleinden. De belangenafweging valt volgens de rechtbank in het voordeel van de bestuurders uit, aangezien in dit geval een concrete noodzaak voor de curator om (ook) kennis te nemen van privécorrespondentie niet (voldoende) is aangevoerd.

Concreet betekent dit dat een schifting dient te worden gemaakt in de administratie waarin de curator inzage dient te krijgen. De privé-e-mails moeten eruit gefilterd worden. Hieraan wordt uitvoering gegeven door een accountant de opdracht te geven de e-mailboxen van de bestuurders door te spitten en te onderzoeken welke e-mailberichten tot de privécorrespondentie behoren.

De kosten dienen volgens de rechtbank tussen de bestuurders en de curator (de boedel) te worden gedeeld. Hier speelt het gegeven dat het keuze van de bestuurders zelf is geweest om op deze wijze met hun e-mailboxen om te gaan wel een rol. Hadden zij die immers niet voor privédoeleinden gebruikt, dan had de boedel geen kosten voor een schifting hoeven maken.