Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Arrest in Stop de Banken zaak over rentewijzigingsbedingen bij hypothecaire leningen

Arrest in Stop de Banken zaak over rentewijzigingsbedingen bij hypothecaire leningen

De Hoge Raad heeft arrest gewezen in de 'Stop de Banken zaak'. Belangenorganisaties ‘Stop de banken’ en ‘Euribar’ zijn in die zaak in een collectieve procedure opgekomen tegen de inhoud en toepassing van wijzigingsbedingen op grond waarvan de bank de opslagen op de rente bij hypothecaire leningen kon wijzigen. Zowel de rechtbank als het hof gaven de belangenorganisaties gelijk en vernietigden de bedingen. De ABN AMRO heeft cassatie ingesteld en deels gelijk gekregen. Lees hier meer over de achtergronden en uitspraak van de Hoge Raad.
Auteur artikelChantal van den Borne
Gepubliceerd25 november 2019
Laatst gewijzigd26 november 2019
Leestijd 

Rentewijzigingsbedingen bij hypothecaire leningen

Al enige tijd werd zowel door banken als belangenorganisaties in spanning gewacht op het arrest van de Hoge Raad in de ‘Stop de Banken’ zaak. In die zaak waren belangenorganisaties ‘Stop de banken’ en ‘Euribar’ in een collectieve procedure opgekomen tegen de inhoud en toepassing van wijzigingsbedingen op grond waarvan de bank de opslagen op de rente bij hypothecaire leningen kon wijzigen. Zowel de rechtbank als het hof gaven de belangenorganisaties gelijk en vernietigden de bedingen. Dat waren zeer vergaande gevolgen voor de ABN AMRO, die alle betalingen op grond van die vernietigde bedingen, moest terugbetalen. De bank heeft cassatie ingesteld. Advocaat Generaal (A-G) Wissink ging in zijn conclusie  voor het merendeel mee in de overwegingen van het hof, maar oordeelde op één belangrijk onderdeel, dat het hof te kort door de bocht was gegaan. Het hof had voor het oordeel of er sprake was van een oneerlijk beding, ook eventuele compenserende bedingen moeten betrekken. Meer specifiek ging het om de mogelijkheid die de consument heeft om het krediet boetevrij vervroegd af te lossen als er een rentewijziging is. De Hoge Raad heeft nu arrest gewezen.

Uitgangspunten en achtergronden

Er zijn diverse rentemogelijkheden bij hypothecaire leningen. Een daarvan is een variabele rente. In dit geval was er sprake van een variabele rente gebaseerd op Euribor, met een opslag. De ABN AMRO had in een beding in de overeenkomst de bevoegdheid opgenomen om de opslag van de rente te kunnen wijzigen. Dit beding is een rentewijzigingsbeding. In Nederland zijn rentewijzigingsbedingen traditioneel als geldend aangemerkt. Het behoorde zowel op grond van de wet als op grond van jurisprudentie, tot de beleidsvrijheid van banken op de variabele rente voor hypothecaire leningen te wijzigen.

Als gevolg van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (hierna: het HvJEU) ten aanzien van Richtlijn 93/13 (de Richtlijn Oneerlijke Bedingen, hierna: de Richtlijn) is die beleidsvrijheid vergaand beperkt. Deze beperking is er niet alleen vanaf het moment van die jurisprudentie, maar heeft ook gevolgen voor rentewijzigingen die vóór die jurisprudentie plaatsvonden. Banken waren voorafgaand aan deze jurisprudentie dus in de veronderstelling dat zij binnen de juridische kaders handelden, terwijl dat nu met terugwerkende kracht ingeperkt wordt. Er ligt een vrij complex juridisch kader aan deze jurisprudentie en de beslissing van de Hoge Raad in de Stop de Banken zaak ten grondslag. De Hoge Raad begint haar arrest met een uiteenzetting van het achterliggende juridische kader, dat samengevat op het volgende neerkomt.

Oneerlijkheidstoetsing

De Richtlijn verbiedt het gebruik van ‘oneerlijke bedingen’ in consumentenovereenkomsten. In art. 3 lid 1 van de Richtlijn is bepaald wanneer er sprake is van een oneerlijk beding. Dit is een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (zoals een beding in algemene voorwaarden of een standaard beding in overeenkomsten), waarbij er sprake is van strijd met de goede trouw en waarbij het evenwicht van rechten en plichten uit de overeenkomst, ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord wordt.

Voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst moeten op grond van artikel 4 lid 1 van de Richtlijn alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking worden genomen, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst. Er moet tevens worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst.

Het HvJEU laat het aan de nationale rechter over om te onderzoeken of een beding oneerlijk is. Deze toetsing vindt in Nederland (zo nodig ambtshalve) plaats in het kader van art. 6:233, aanhef en onder a BW, op grond waarvan een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als dit onredelijk bezwarend is.

Over het onderzoek dat de nationale rechter moet verrichten, heeft de Hoge Raad in het AOV-polis arrest overwogen dat (als er niets geregeld is) er door middel van een vergelijking tussen het nationale recht en de overeenkomst, nagegaan worden of de consument door de overeenkomst in een juridisch minder gunstige positie wordt geplaatst dan hij zou hebben op grond van het geldende nationale recht. Als de rechtspositie van de consument als gevolg van de overeenkomst in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat zijn rechten worden beperkt of hij in de uitoefening van zijn rechten wordt belemmerd, of er extra verplichtingen worden opgelegd die er in het nationale recht niet zijn, dan is er sprake van een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’.

Vervolgens moet deze ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht nog een ‘strijdigheid met de goede trouw’ veroorzaken. De nationale rechter moet hierbij de vraag beantwoorden of redelijkerwijs aangenomen kan worden dat de consument het beding aanvaard zou hebben, als daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.

De Bijlage bij Richtlijn 93/13

Bij algemene voorwaarden zijn er de zogenaamde zwarte en grijze lijsten van bedingen die als onredelijk bezwarend worden aangemerkt (de zwarte lijst) en bedingen waarvan vermoed wordt dat ze onredelijk bezwarend zijn (de grijze lijst) (6:236 en 6:237 BW) . De Richtlijn kent een ‘blauwe lijst’ die is opgenomen in de Bijlage van de Richtlijn. Dit is een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt (art. 3 lid 3 Richtlijn). Een beding dat voorkomt op de blauwe lijst is niet automatisch een oneerlijk beding, maar het geeft wel een vermoeden.

In de blauwe lijst is bij 1.j) het beding opgenomen op grond waarden de verkoper gemachtigd is om "zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen". In punt 2.b)van de Bijlage is echter een uitzondering op dit artikel in de blauwe lijst opgenomen. Op grond van die uitzondering mag de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehouden om de te betalen rentevoet bij een geldige reden zonder opzegtermijn te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van de andere contracterende partij(en) en deze vrij is (zijn) onmiddellijk de overeenkomst op te zeggen."

Het transparantievereiste

Artikel 5 van de Richtlijn stelt eisen aan de transparantie van bedingen in overeenkomsten met consumenten. Deze bedingen moeten steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU is het voor een consument van wezenlijk belang dat hij, vóór sluiting van een overeenkomst, op de hoogte is van alle voor de overeenkomst van belang zijnde informatie. Het beding moet niet alleen duidelijk en begrijpelijk zijn, maar de consument moet ook de economische gevolgen die voor hem uit de overeenkomst voortvloeien, kunnen inschatten.

Volgens de rechtspraak van het HvJEU is een gebrek aan transparantie een omstandigheid die moet meewegen bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een beding. Het enkele gebrek aan transparantie van een beding kan leiden tot het oordeel dat het beding oneerlijk is, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Bij wijzigingsbedingen is er enerzijds het belang van de verkoper om zich in te dekken tegen een wijziging in de omstandigheden in de toekomst en anderzijds het belang van de consument om te weten, en dus te kunnen voorzien, wat de gevolgen van een dergelijke wijziging voor hem in de toekomst zullen zijn. Daarom is bij de beoordeling van de transparantie en van de oneerlijkheid van belang dat het beding de redenen voor en de wijze van wijziging specificeert.

Herziening en uitoefeningscontrole

De lidstaten worden op grond van de Richtlijn verplicht om maatregelen te treffen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten. De rechter mag als gevolg hiervan niet de inhoud van oneerlijke bedingen herzien, omdat anders de afschrikkende werking van de Richtlijn die moet voorkomen dat er oneerlijke bedingen gebruikt worden, teniet gedaan zou kunnen worden. Daarnaast kan over een beding dat níet oneerlijk is, nog steeds geoordeeld worden dat een beroep op dat ‘eerlijke’ beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Onder verwijzing naar het SEBA/Amsterdam I arrest , waar het ging om de bevoegdheid van de gemeente Amsterdam om eenzijdig de erfpacht aan te passen, merkt de Hoge Raad nog op dat er geen onredelijke bezwarendheid is, als de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid deel uitmaakt van de rechtsverhouding tussen (in dat geval) de burger en de gemeentelijke overheid. Daarbij is wel van belang dat het bij het aangaan van de overeenkomst voor die burger duidelijk was dat het wijzigingsbeding (samengevat) deel uitmaakt van een wettelijk (toetsings)kader.

De Hoge Raad volgt vervolgens de A-G. Het hof had bij zijn beoordeling van de oneerlijkheid van het beding alle relevante omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst moeten betrekken, en had moeten letten op het cumulatieve effect van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. Er kunnen compenserende bedingen zijn, die het oneerlijke karakter van een wijzigingsbeding (deels) kunnen opheffen. Dat zijn bijvoorbeeld de bedingen dat de leningnemer zijn Euribor-lening gedurende de looptijd vrijwel in alle gevallen zonder kosten mocht omzetten in een andere rentevorm en dat hij zijn lening op ieder moment zonder significante kosten geheel of gedeeltelijk kon aflossen. Het hof had deze compenserende bedingen moeten betrekken bij de beoordeling van de oneerlijkheid van het rentewijzigingsbeding.

Conclusie

De Hoge Raad heeft een evenwichtig arrest gewezen over rentewijzigingsbedingen bij hypothecaire leningen, waarbij er enerzijds conform de jurisprudentie van het HvJEU geoordeeld is ten aanzien van transparantie , strijd met de goede trouw en verstoring van het evenwicht en anderzijds compenserende bedingen de oneerlijkheid van een rentewijzigingsbeding kunnen opheffen/inperken. Dat is terecht.

De beschermende werking van de Richtlijn staat buiten kijf. Maar dat neemt niet weg dat de kredietnemer ook voordeel gehad heeft van de variabele rente die hij overeengekomen is met de bank. Deze rentepercentages waren doorgaans lager dan vaste rentes. En bij rentestijgingen had de kredietnemer de mogelijkheid om kosteloos naar een andere, goedkopere hypotheekverstrekker over te stappen ofwel de rentevorm van zijn hypotheek wijzigen. Hij kon dus ontkomen aan de voor hem onwelgevallige renteontwikkelingen. Wel moet er speciale aandacht zijn voor zogenaamde ‘lock up’ klanten, die als gevolg van wijzigingen in normen, geen mogelijkheid hadden voor een overstap.

Mocht u over het voorgaande van gedachten willen wisselen, neem dan vrijblijvend contact met ons op.