De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Assurantieportefeuille niet vatbaar voor verpanding

Assurantieportefeuille niet vatbaar voor verpanding

Is een assurantieportefeuille vatbaar voor verpanding? In deze blog behandelen we een recente uitspraak van de Hoge Raad die antwoord geeft op deze vraag.
Auteur artikelDaniël van Essen
Gepubliceerd11 december 2019
Laatst gewijzigd11 december 2019
Leestijd 

Op 6 december heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vraag of een assurantieportefeuille vatbaar is voor verpanding. Volgens de Hoge Raad is een assurantieportefeuille als zodanig geen goed in de zin van art. 3:1 BW en derhalve niet vatbaar voor verpanding. Hieronder gaan wij nader op deze uitspraak in.

Feiten en procedure

In een eerdere blog schreven wij al dat de rechtbank in deze kwestie had geoordeeld dat een assurantieportefeuille niet kan worden verpand.

Kortgezegd bemiddelde in deze zaak een zelfstandige assurantietussenpersoon bij het afsluiten van assurantieovereenkomsten. Daarbij bracht de assurantietussenpersoon rechtstreeks overeenkomsten tot stand tussen verzekeraars en verzekeringnemers. In deze zaak was de assurantietussenpersoon een kredietovereenkomst aangegaan met een bank. Tot zekerheid van de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van het krediet werd ten behoeve van bank een pandrecht gevestigd op alle ‘bedrijfsactiva’. Volgens de toepasselijke algemene voorwaarden van de bank werd onder ‘bedrijfsactiva’ onder meer het volgende verstaan:

  • cliëntenbestanden en de gegevensdragers waarop deze zich bevinden;
  • goodwill, zijnde de meerwaarde van het bedrijf boven de som van vaste activa.

De assurantietussenpersoon ging op een gegeven moment failliet en de curator verkocht de assurantieportefeuille en de daaraan verbonden goodwill. De bank vorderde bij de rechtbank een verklaring voor recht dat zij een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de assurantieportefeuille. De rechtbank wees die vordering af, reden waarom de bank zich door middel van sprongcassatie rechtstreeks heeft gewend tot de Hoge Raad.  

Overwegingen Hoge Raad

Net als de rechtbank in eerste aanleg overweegt de Hoge Raad dat op alle niet-registergoederen die voor overdracht vatbaar zijn, een pandrecht kan worden gevestigd. Voor de mogelijkheid tot het vestigen van een pandrecht op een assurantieportefeuille is dus vereist dat een assurantieportefeuille is aan te merken als een goed. Art. 3:1 BW bepaalt dat goederen alle zaken en alle vermogensrechten zijn, terwijl art. 3:2 BW bepaalt dat zaken de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten zijn. Vermogensrechten onder meer rechten die, afzonderlijk of samen met een ander recht overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, aldus art. 3:6 BW.

De Hoge Raad overweegt verder dat slechts individuele zaken of vermogensrechten als goed kunnen worden aangemerkt. Het samenstel van overeenkomsten en goodwill dat wordt aangeduid als een assurantieportefeuille, is niet een individuele zaak of een individueel vermogensrecht, ook al wordt het in het economische verkeer als een eenheid beschouwd. Omdat een assurantieportefeuille als zodanig geen goed is in de zin van art. 3:1 BW, is het niet vatbaar voor verpanding.

‘Praktijk heeft behoefte aan verpanding’

De bank voerde bij de Hoge Raad opnieuw tevergeefs aan dat in de praktijk de behoefte bestaat aan de mogelijkheid van verpanding van een assurantieportefeuille omdat dit de financierbaarheid van de activiteiten van een assurantietussenpersoon ten goede komt (de assurantieportefeuille – het geheel aan samenwerkingsovereenkomsten en opdrachtovereenkomsten – is tenslotte het belangrijkste activum van een assurantietussenpersoon), dat een assurantieportefeuille in de bancaire praktijk ook regelmatig als onderpand dient voor financiering en dat het recht de economische werkelijkheid moet volgen. De Hoge Raad gaat echter niet mee in dit betoog, omdat verpandbaarheid van een samenstel van overeenkomsten en goodwill niet past in het wettelijke stelsel van het goederenrecht.

Hebt u naar aanleiding van deze blog vragen of hebt u algemene vragen over verpanding en andere vormen van zekerheid? Neem gerust contact op met onze specialisten.