Zoeken
  1. De fosfaatrechtenverdeling bij in- en uitscharing

De fosfaatrechtenverdeling bij in- en uitscharing

In verband met een wijziging van de Meststoffenwet is het per 1 januari 2018 niet meer toegestaan melkvee te houden zonder fosfaatrechten. Het doel van de wetswijziging is de afbouw van de Nederlandse veestapel tot beneden het fosfaatproductieplafond. Melkveehouders hebben de fosfaatrechten toegekend gekregen op basis van de aanwezige veestapel op 2 juli 2015 (referentiedatum), waarbij de I&R-registratie leidend is voor de hoeveelheid toegekende fosfaatrechten. Melkveehouders die op de referentiedatum vee bij een andere boer hebben ondergebracht en geregistreerd (uitscharen) lopen door de registratie bij een andere melkveehouder kostbare fosfaatrechten mis. De misgelopen rechten worden door de juridisch eigenaar (uitschaarder) veelvuldig opgeëist bij de inlenende boer (inschaarder). De inschaarder heeft de fosfaatrechten echter nodig voor zijn eigen bedrijfsvoering en weigert veelal mee te werken aan overdracht. In dit kennisartikel worden de reeds gevoerde procedures besproken.
Auteur artikelCoen van Schaijk
Gepubliceerd25 mei 2018
Laatst gewijzigd25 mei 2018
Leestijd 

In verband met een wijziging van de Meststoffenwet is het per 1 januari 2018 niet meer toegestaan melkvee te houden zonder fosfaatrechten. Het doel van de wetswijziging is de afbouw van de Nederlandse veestapel tot beneden het fosfaatproductieplafond. Melkveehouders hebben de fosfaatrechten toegekend gekregen op basis van de aanwezige veestapel op 2 juli 2015 (referentiedatum), waarbij de I&R-registratie leidend is voor de hoeveelheid toegekende fosfaatrechten. Melkveehouders die op de referentiedatum vee bij een andere boer hebben ondergebracht en geregistreerd (uitscharen) lopen door de registratie bij een andere melkveehouder kostbare fosfaatrechten mis. De misgelopen rechten worden door de juridisch eigenaar (uitschaarder) veelvuldig opgeëist bij de inlenende boer (inschaarder). De inschaarder heeft de fosfaatrechten echter nodig voor zijn eigen bedrijfsvoering en weigert veelal mee te werken aan overdracht. In dit kennisartikel worden de reeds gevoerde procedures besproken.

 

Achtergrond
In verband met de overschrijding van het fosfaatproductieplafond heeft de minister onderzocht of het mogelijk was fosfaatrechten toe te kennen op basis van een peildatum in het verleden, waarop het fosfaatproductieplafond nog niet overschreden is. Dit zou feitelijk neerkomen op het ongeoorloofd ontnemen van eigendomsrechten door de overheid (artikel 1 EP EVRM), omdat het houden van vee zonder fosfaatrechten niet meer toegestaan is. De landsadvocaat adviseert aansluiting te zoeken bij de openbare brief van minister S.A.M. Dijksma van 2 juli 2015 aan de Tweede Kamer, waarin het fosfaatrechtenstelsel is aangekondigd (Kamerstuk 33979, nr. 98). Vanaf dit moment wordt iedere melkveehouder bekend geacht met de mogelijke invoering van een fosfaatrechtenstelsel.
Eerder, op 1 april 2015, zijn de Europese beperkingen in de productie van melk na 30 jaar afgeschaft (melkquotum). Vele boeren hebben deze kans aangegrepen om stallen bij te bouwen en hun veestapel uit te breiden. De schaarste met betrekking tot de fosfaatrechten wordt mede verklaard door de groei van de veestapel tussen 2 juli 2015 (peildatum) en de invoering van het fosfaatrechtenstelsel op 1 januari 2018.

 

Verdeling van fosfaatrechten
Fosfaatrechten worden toegekend aan de houder van de dieren. Het is van ondergeschikt belang of de houder tevens eigenaar is (Kamerstuk 34 532, nr. 3, p. 19). Deze insteek is op zichzelf begrijpelijk. Immers, ook boeren die voor hun inkomsten afhankelijk zijn van het al dan niet tijdelijk inscharen van vee hebben fosfaatrechten nodig (artikel  23 lid 1 Meststoffenwet). Ook dit wordt met zoveel woorden benoemd in de Memorie van Toelichting (Kamerstuk 34 532, nr. 3, p. 44).

 

De wetswijziging voorziet in een mogelijkheid om de toebedeling van fosfaatrechten aan inschaarder vóór 1 april te corrigeren (artikel 23 lid 5 Meststoffenwet). Door tijdig gebruik te maken van deze regeling wordt voorkomen dat een 10% afroming plaatsvindt (Kamerstuk 34 532, nr. 3, p. 44):

 

“Indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, wordt het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd.”

 

Uit de toelichting bij het amendement dat tot toevoeging van dit artikellid heeft geleid, blijkt dat de wetgever slechts beoogd heeft herverdeling te faciliteren. Toch wordt deze bepaling in de procedures tussen in- en uitschaarders herhaaldelijk aangehaald als basis voor de aanspraak van uitschaarder op de fosfaatrechten van inschaarder.

 

Grondslag 1: kortdurende uitscharing (ECLI:NL:RBNNE:2018:1107)
In 2015, 2016 en 2017 heeft eiser steeds in de periode 15 mei tot 15 oktober jongvee uitgeschaard bij gedaagde. De dieren stonden op 2 juli 2015 geregistreerd in het I&R-systeem van inschaarder en zijn daarom meegenomen in de toebedeling van fosfaatrechten aan uitschaarder. De voorzieningenrechter oordeelt:

 

“Voor de vraag of [inschaarder] onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid zijn medewerking kon onthouden aan de mogelijkheid om de fosfaatrechten van [uitschaarder] te verhogen ten koste van de aan [inschaarder] toegekende fosfaatrechten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Zoals hiervoor is overwogen zijn de onderhavige aanpraken op de fosfaatrechten aan [inschaarder] toegekend omdat de 38 pinken van [uitschaarder] op 2 juli 2015 bij hem waren ingeschaard. Die datum is echter een willekeurig gekozen peildatum, die door partijen niet te voorzien was. (…) Een redelijke toepassing van artikel 23 lid 5 Meststoffenwet brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval met zich, ook in het licht van de algemene strekking van deze wet, dat de onderhavige fosfaatrechten - die [inschaarder] om niet heeft verkregen maar die inmiddels een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen - conform de partijafspraken over de perioden van houderschap, in beginsel in diezelfde verhouding tussen partijen dienen te worden verdeeld.”

 

Omdat de fosfaatrechten slechts 5/12de gedeelte van het jaar bij inschaarder stonden, wordt inschaarder veroordeeld tot het invullen en ondertekenen van een formulier ‘In- en uitscharen’ voor 22 van de 38 runderen (afgerond 7/12de).

 

Op basis van de maatstaf als gehanteerd door de rechtbank, kan evengoed worden betoogd dat een inschaarder die op regelmatige basis runderen inschaart vóór of ná 2 juli, aanspraak kan maken op een aandeel in de fosfaatrechten van uitschaarder. De wetgever heeft naar het oordeel van de rechtbank immers beoogd te verdelen conform de feitelijke situatie gedurende het gehele jaar 2015. 

 

Grondslag 2: afwijkende afspraken (ECLI:NL:RBNNE:2018:1221)
Inschaarder (gedaagde) exploiteerde in het verleden een melkveehouderij. Hij heeft zijn bedrijf beëindigd en is de stalruimte gaan gebruiken voor het (tegen vergoeding) stallen en opfokken van vee en caravans. Uitscharing door eisers vond plaats op basis van twee overeenkomsten van 15 mei 2015 waarin is bepaald:

 

“mochten er tussentijds veranderingen komen vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen (…) dan zijn deze voor [uitschaarder]”

 

De voorzieningenrechter overweegt dat de wetgever met artikel 23 lid 5 Meststoffenwet recht heeft willen doen aan de feitelijk situatie indien een bedrijf op 2 juli 2015 runderen had uitgeschaard, maar die uitscharingsregeling met de inschaarder niet gedurende het hele jaar van kracht was. Voor overschrijving is evenwel instemming van de inschaarder vereist (r.o. 4.7).

 

De voorzieningenrechter oordeelt dat voornoemde bepaling uit de overeenkomst naar de letterlijke tekst niet van toepassing is op fosfaatrechten. Partijen hebben bij het vaststellen van de overeenkomst echter geen juridische bijstand gehad, zodat minder waarde toekomt aan de letterlijke tekst van de bepaling. In dit geval moest inschaarder begrijpen dat de bepaling de strekking had toekomstige rechten die samenhingen met het stallen van het jongvee op zijn bedrijf te laten toekomen aan uitschaarder (r.o. 4.11). Gevolg hiervan is dat inschaarder wordt veroordeeld tot het meewerken aan overdracht van de fosfaatrechten aan uitschaarder. 

 

Grondslag 3 en 4: ongerechtvaardigde verrijking & redelijkheid en billijkheid (ECLI:NL:RBNNE:2018:1150)
Het betreft een zaak waarin uitschaarder in de periode mei/juni 2015 tot en met oktober 2015 runderen onderbrengt bij inschaarder. Uitschaarder heeft inmiddels zijn bedrijfsvoering beëindigd. De fosfaatrechten worden door uitschaarder opgeëist voor de verkoop, om zodoende melkquotum in Canada aan te kopen en daar zijn bedrijf voort te zetten. Uitschaarder stoelt zijn vordering op ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW).

 

De voorzieningenrechter leidt uit de bedoeling van de wetgever af dat (r.o. 4.6):

 

 “de fosfaatrechten, alhoewel ontstaan op basis van het aantal dieren, worden gekoppeld aan een bedrijf, vast te stellen op basis van het aantal stuks melkvee dat op 2 juli 2015 op dat bedrijf werd gehouden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het houderschap en niet de eigendomssituatie (op 2 juli 2015) met betrekking tot dat melkvee doorslaggevend is. De in het vijfde lid van artikel 23 gegeven mogelijkheid tot verlegging van fosfaatrechten vormt in deze een uitzondering die de hoofdregel bevestigt.”

 

De voorzieningenrechter oordeelt dat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake kan zijn. Uitschaarder heeft nooit beschikking over fosfaatrechten gehad, en dus heeft geen verarming plaatsgevonden.

 

Ook het beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan uitschaarder niet baten. De voorzieningenrechter lijkt bijzondere waarde te hechten aan het feit dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem waarin fosfaatrechten zijn gekoppeld aan een bedrijf (en dus niet aan de runderen zie r.o. 4.11 jo 4.6). Bovendien heeft inschaarder in de referentieperiode geen ander vee kunnen laten weiden, omdat hij de runderen van eiser ingeschaard had. Met het afstaan van fosfaatrechten ten guste van uitschaarder zou de inschaarder benadeeld worden (r.o. 4.11).

 

Ondanks de tijdelijke aard van de in- en uitscharing vergelijkbaar met de eerste uitspraak, bestaat in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat de fosfaatrechten aan inschaarder toekomen. De vorderingen van uitschaarder worden afgewezen.

 

Conclusie
In bovengenoemde uitspraken wordt bevestigd dat de toekenning van fosfaatrechten aan inschaarder berust op een bewuste keuze van de wetgever. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal inschaarder gehouden zijn fosfaatrechten af te dragen.

Kort na het verschijnen van dit kennisartikel is een uitspraak gewezen over de fosfaatrechtenverdeling bij opfokcontracten. Hierover schreef José Jochemsen-Vernooij.  

Heeft u vragen over een agrarisch probleem, neem dan contact op met Coen van Schaijk