Zoeken
  1. De grenzen van de exhibitieplicht van artikel 843a Rv

De grenzen van de exhibitieplicht van artikel 843a Rv

Artikel 843a Rv geeft geen vrijbrief om onbeperkt afgifte van bescheiden te vorderen om aan de hand daarvan te onderzoeken of er wellicht aansprakelijkheid is voor schade. InleidingWanneer een partij bekend is met de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel maar deze niet in zijn bezit heeft kan hij, wanneer hij deze in een procedure over zou willen leggen, een vordering op grond van artikel 843a Rv instellen. Deze vordering kan zowel in een lopende procedure worden ingesteld (door het opwerp...
Artikel | 10 januari 2013 | Sebastiaan van de Kant
Artikel 843a Rv geeft geen vrijbrief om onbeperkt afgifte van bescheiden te vorderen om aan de hand daarvan te onderzoeken of er wellicht aansprakelijkheid is voor schade.

Inleiding
Wanneer een partij bekend is met de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel maar deze niet in zijn bezit heeft kan hij, wanneer hij deze in een procedure over zou willen leggen, een vordering op grond van artikel 843a Rv instellen. Deze vordering kan zowel in een lopende procedure worden ingesteld (door het opwerpen van een incident) als voorafgaand aan een procedure (bij wijze van voorziening in kort geding). Hierbij bepaald artikel 843a lid 1 Rv het volgende:

Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.

Uit bovengenoemd artikellid blijkt dat de verzoeker moet voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden: (i) de verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift, (ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden, en (iii) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de aanvrager partij is. Hieronder zullen de drie punten kort worden besproken.

(i) Rechtmatig belang
Een verzoeker heeft belang bij het opvragen van stukken als deze relevant zijn voor zijn rechtspositie. Het gaat daarbij in de eerste plaats om een bewijsbelang die dient te corresponderen met de op hem rustende bewijslast. Het ligt daarbij op de weg van de verzoeker om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit belang blijkt. Het komt er hierbij in beginsel op aan of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt, doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. Betoogd wordt dat de verzoeker bij ieder opgevraagd bescheid een rechtmatig belang dient aan te tonen.

(ii) Bepaalde bescheiden
Nu er geen sprake is van een algemeen inzagerecht dient de verzoeker de opgevraagde bescheiden met naam en toenaam te benoemen. Deze specificering is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of de verzoeker een rechtmatig belang heeft bij inzage. Een verzoek tot  inzage in een ‘volledig cliëntendossier’ zal mede op deze grond worden afgewezen. De toelichting bepaald dat het ook kan gaan om gegevens op andere gegevensdragers dan papier zoals film, foto, cd-rom, dvd, geluidsbanden, computerbestanden, e-mail, USB-stick, tachograafschijf.

(iii) Aangaande een rechtsbetrekking waarbij verzoeker partij is
Het bovengenoemde recht is enkel toegekend  aan een verzoeker met betrekking tot bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Deze rechtsbetrekking kan ook uit onrechtmatige daad ontstaan. Het enkel hebben van een rechtens relevant belang is hierbij niet voldoende.

Volgens de Hoge Raad verleent artikel 843a Rv (een artikel die mogelijk in de toekomst op grond van dossier 33 079 zal worden gewijzigd) geen rechten of vrijheden aan degene die bepaalde bescheiden onder zich heeft, maar vormt juist een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven. Daarom zijn er aan de exhibitieplicht voorwaarden verbonden om fishing expeditions tegen te gaan.

De casus Palm Invest
Op 13 november 2007 heeft ABN Amro Bank de bancaire relatie met Palm Invest beëindigd omdat er werd gevreesd voor een mogelijke piramideconstructie. Op 17 november 2009 werd Palm Invest failliet verklaard en zijn in 2010 de feitelijk leidinggevenden van Palm Invest veroordeeld voor het plegen van verschillende strafbare feiten (oplichting, valsheid in geschrifte, witwassen).

De curator van Palm Invest overweegt ABN Amro Bank aansprakelijk te stellen voor de schade die Palm Invest heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen en/of wanprestatie van ABN Amro Bank. Er is volgens de curator niet afdoende toezicht gehouden op de transacties met betrekking tot Palm Invest waardoor zij haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden. Ter beoordeling van de kansen met betrekking tot een aansprakelijkstelling vordert de curator van Palm Invest van ABN Amro Bank op grond van artikel 843a Rv inzage en afschrift in divers bescheiden (onder andere alle overeenkomsten tussen Palm Invest en ABN Amro Bank, alle tussen partijen gevoerde correspondentie, alle interne notities, rapporten van intern onderzoek van ABN Amro Bank en het hele CDD-dossier over Palm Invest en/of haar bestuurders). ABN Amro Bank weigert dit. Volgens de rechtbank Amsterdam is deze weigering gerechtvaardigd nu:

‘Hij [de curator] nauwkeurig dient aan te geven wat de aard van de vordering is en in hoeverre de hem bekende bescheiden, waarover hij echter niet beschikt, hem baat kunnen brengen en tot bewijslevering strekken voor de vaststelling van zijn rechtspositie uit de verschillende rechtsgronden jegens ABN Amro Bank waarop zijn vordering steunt. Artikel 843a Rv geeft geen vrijbrief om onbeperkt afgifte van bescheiden te vorderen om  aan de hand daarvan te onderzoeken of er wellicht aansprakelijkheid is voor schade die de curator in de boedel heeft aangetroffen’.

Zodoende oordeelde de rechtbank dat de curator geen rechtmatig belang had bij zijn vordering tot afgifte en voegde daar nog aan toe dat: “een ander belang dan hulp bij bewijsvoering dient artikel 843a Rv immers niet”.

Tot besluit
Een partij die de verzochte bescheiden onder zich heeft dient bij de afwijzing van een verzoek op grond van artikel 843a Rv zich nog niet rijk te rekenen. De rechter kan namelijk ambtshalve op grond van artikel 22 Rv alsnog partijen bevelen de voor het geschil relevante bescheiden over te leggen.