De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. De WBTR treedt per 1 juli 2021 in werking: waar moeten bestuurders van stichtingen en verenigingen op letten?

De WBTR treedt per 1 juli 2021 in werking: waar moeten bestuurders van stichtingen en verenigingen op letten?

De Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (“WBTR”) treedt per 1 juli 2021 in werking en is van toepassing op alle verenigingen en stichtingen. De WBTR geeft regels die het bestuurlijke proces van een stichting of vereniging professionaliseren. In dit artikel bespreken wij de belangrijkste gevolgen van de WBTR voor (bestuurders van) stichtingen en verenigingen.
Leestijd 
Auteur artikel Daan Baas
Gepubliceerd 15 april 2021
Laatst gewijzigd 26 april 2021
 

Statutaire wijzigingen en gevolgen van het uitblijven daarvan

Vanaf de inwerkingtreding van de WBTR op 1 juli 2021, moet bij de eerstvolgende statutenwijziging van een stichting of vereniging een regeling van belet en ontstentenis voor alle bestuurders/commissarissen in de statuten worden opgenomen. Een statutaire bepaling voor belet of ontstentenis van één van de bestuurders/commissarissen is optioneel. De WBTR bevat geen sancties indien de verplichte regeling niet bij de eerstvolgende statutenwijziging wordt ingevoerd. De gevolgen van het niet opnemen van een belet- en ontstentenisregeling bij de eerste statutenwijziging zijn dus vooralsnog onduidelijk.

Daarnaast moet een stichting of vereniging bij de eerstvolgende statutenwijziging na 1 juli 2021 ervoor zorgen dat de stemrechtregeling van het bestuur en de raad van commissarissen voldoet aan de beperking dat één bestuurder niet meer stemmen kan uitbrengen dan de overige bestuurders of commissarissen tezamen. Indien een stichting of vereniging een statutaire bepaling heeft opgenomen, waarin de wettelijke grens wordt overschreden, geldt dat deze regeling 5 jaar na inwerkingtreding van de WBTR voor nietig wordt gehouden. Men doet er dus verstandig aan de statutaire regeling binnen 5 jaar te herschrijven, zodat deze voldoet aan de eisen van de WBTR. Na verloop van de 5 jaar kan geen beroep meer worden gedaan op de oude statutaire bepalingen.

De WBTR geeft daarnaast regels over tegenstrijdig belang van bestuurders of toezichthouders bij besluitvorming. Dergelijke regels bestonden eerder alleen voor B.V.’s en N.V.’s. De WBTR schrijft voor dat een bestuurder of toezichthouder niet mag deelnemen aan besluitvorming waarbij hij een persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is aan het belang van de rechtspersoon. Indien door het niet meedoen van die bestuurder of toezichthouder in het geheel geen besluit kan worden genomen, bevat de WBTR regels over welk ander orgaan van de rechtspersoon het betreffende besluit kan nemen. Wanneer een stichting of vereniging in haar statuten afwijkt van de regeling zoals neergelegd in de WBTR, zijn die statutaire bepalingen vanaf het moment van inwerkingtreding van de WBTR nietig. Wijziging is niet verplicht, maar worden de bepalingen niet gewijzigd, dan kan men vanaf 1 juli 2021 geen beroep meer op die bepalingen doen. Het kan dus raadzaam zijn dergelijke bepalingen te wijzigen bij de eerstvolgende statutenwijziging, maar dat is niet verplicht.

Wettelijke verankering en aansprakelijkheid toezichthoudend orgaan

De WBTR geeft stichtingen en verenigingen een wettelijke grondslag voor het opzetten van een toezichthoudend orgaan, zoals een raad van commissarissen (dualistisch) of een one tier board (monistisch).
In de praktijk hebben sommige verenigingen en stichtingen al een toezichthoudend orgaan, dus de mogelijkheid is op zichzelf bezien niet nieuw. Doordat regelgeving ontbrak, bestond echter onduidelijkheid over de kwalificatie van de toezichtsstructuur van stichtingen en verenigingen. Die onduidelijkheid beoogt de WBTR weg te nemen door de dualistische en monistische toezichtsstructuur wettelijk vast te leggen. Deze wijziging zorgt dus voor meer duidelijkheid.

Wanneer een stichting of vereniging gebruik maakt van de in de WBTR neergelegde mogelijkheid tot het instellen van een raad van commissarissen of een one tier board, is de aansprakelijkheidsnorm uit artikel 2:9 BW (interne aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon) rechtstreeks van toepassing op de toezichthouders van stichtingen en verenigingen (art. 2:47 en 50a resp. 2:292a en 300a BW). Dit zal gaan gelden vanaf de inwerkingtreding van de WBTR. Toezichthouders konden al aansprakelijk worden gehouden, maar dan op basis van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), waarbij wel betekenis toekwam aan de norm uit art. 2:9 BW. De mogelijkheid van aansprakelijkheid en de daaraan verbonden norm zijn dus niet nieuw, maar de WBTR verankert deze in de wet wat tot meer duidelijkheid en rechtszekerheid moet leiden.

Wat wel geheel nieuw is, is dat de WBTR een hoofdelijke aansprakelijkheid in het leven roept voor alle toezichthouders (tenzij een toezichthouder zich kan disculperen). Een toezichthouder is dus in beginsel niet alleen verantwoordelijk voor zijn eigen handelen, maar ook voor dat van zijn collega’s. De WBTR roept dus een extra aansprakelijkheidsrisico voor toezichthouders in het leven. Hierbij geldt wel dat toezichthouders van bepaalde verenigingen en stichtingen al vanuit sectorspecifieke wetgeving een hoofdelijke aansprakelijkheid hadden. Voor hen verandert het dus niets, maar voor toezichthouders in bijvoorbeeld de zorg of het onderwijs is dit wel een wezenlijke verandering op het gebied van aansprakelijkheid.

Aansprakelijkheid bestuurders en toezichthouders bij faillissement

Failissementsaansprakelijkheid houdt in dat bestuurders en/of toezichthouders voor het failissementstekort van een rechtspersoon aansprakelijk zijn, indien sprake is van onbehoorlijk bestuur en aannemelijk is dat dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Van onbehoorlijk bestuur is in beginsel sprake wanneer geen redelijk handelend bestuurder of toezichthouder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld als de bestuurder of toezichthouder in kwestie. Indien de jaarrekening van de rechtspersoon niet of niet tijdig volgens alle voorschriften is opgemaakt en openbaar gemaakt of als een deugdelijke administratie ontbreekt, wordt dwingend aangenomen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur of toezicht en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Dit bewijsvermoeden betekent dat in dat geval de bestuurder of toezichthouder alleen aan aansprakelijkheid kan ontkomen door aan te tonen dat de tekortkoming geen belangrijke oorzaak van het faillissement is.

Tot de inwerkingtreding van de WBTR gold deze regeling alleen voor bestuurders en toezichthouders van N.V.’s, B.V.’s en commerciële stichtingen en verenigingen, die zijn onderworpen aan Vennootschapsbelasting (“Vpb”). Vanaf de inwerkingtreding kunnen bestuurders en toezichthouders van alle stichtingen en verenigingen persoonlijk aansprakelijk zijn voor het tekort in een eventueel faillissement. Deze aansprakelijkheid geldt dus ook voor vrijwillige bestuurders.

Het hiervoor genoemde wettelijke bewijsvermoeden ten aanzien van het opmaken van de jaarrekening en het voeren van een deugdelijke administratie, geldt alleen jegens bestuurders en toezichthouders van stichtingen en verenigingen die wettelijk verplicht zijn om een jaarrekening op te stellen (ook wanneer zij niet aan Vpb onderworpen zijn). Het bewijsvermoeden geldt niet voor bestuurders en toezichthouders van informele en niet-commerciële verenigingen en niet-commerciële stichtingen die niet jaarrekeningplichtig zijn. In de praktijk is deze wijziging dus vooral van belang voor semipublieke instellingen zoals zorginstellingen, onderwijsinstellingen, pensioenfondsen en culturele instellingen. Bestuurders en toezichthouders van dergelijke instellingen lopen een hoger aansprakelijkheidsrisico in geval van faillissement van de instelling.

Een andere regel uit de WBTR is dat bestuurders en toezichthouders van Vpb-plichtige of jaarrekeningplichtige stichtingen en verenigingen jegens derden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een misleidende voorstelling van zaken in de jaarrekening, het bestuursverslag of de tussentijdse cijfers (alleen bestuurders, geen toezichthouders). Dit is een nieuwe aansprakelijkheidsgrondslag voor bestuurders.

Al met al creëert de WBTR een aantal nieuwe of strengere aansprakelijkheidsgrondslagen voor bestuurders en toezichthouders van stichtingen en verenigingen. Bestuurders doen er dus goed aan aandacht te besteden aan de juiste nalevering van de voorschriften rondom de administratie en de jaarrekening.

Verruiming ontslag bestuurders en toezichthouders stichting

De WBTR bevat tenslotte een verruiming van de mogelijkheden die een rechter heeft ten aanzien van ontslag van een bestuurder of toezichthouder van een stichting op verzoek van het Openbaar Ministerie of een andere belanghebbende. Een rechter kan de bestuurder of toezichthouder ontslaan wegens verwaarlozing van zijn taak, een ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn taak in redelijkheid niet kan worden geduld of wegens andere gewichtige redenen. Hierbij komt de rechter een ruime beoordelingsmarge toe.