Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Dijkdoorbraak Wilnis

Dijkdoorbraak Wilnis

HR 17 december 2010, LJN nr. BN6236, RvdW 2011, 7,Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht/ gemeente De Ronde Venen.Op 17 december 2010 heeft de Hoge Raad een ook voor de verzekeringsbranche belangrijke beslissing genomen met betrekking tot schade ten gevolge van een dijkverschuiving.In de nacht van 25 op 26 augustus 2003 is de tussenboezemkade langs de Ringvaart in Wilnis over een lengte van 60 meter ongeveer 5,5 tot 7,5 meter verschoven in de richting van de achterliggende woonwijk. Daardoor...
Auteur artikelDirkzwager
Gepubliceerd14 september 2011
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
HR 17 december 2010, LJN nr. BN6236, RvdW 2011, 7,
Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht/ gemeente De Ronde Venen.

Op 17 december 2010 heeft de Hoge Raad een ook voor de verzekeringsbranche belangrijke beslissing genomen met betrekking tot schade ten gevolge van een dijkverschuiving.

In de nacht van 25 op 26 augustus 2003 is de tussenboezemkade langs de Ringvaart in Wilnis over een lengte van 60 meter ongeveer 5,5 tot 7,5 meter verschoven in de richting van de achterliggende woonwijk. Daardoor is ongeveer 230.000 m3 water de polder en daarmee de woonwijk in gestroomd. Deze kade is een veendijk en ontstaan tijdens de drooglegging van de polder Groot Mijdrecht ongeveer 150 jaar geleden. Deze kade is een secundaire, regionale waterkering. Het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is eigenaar en beheerder van deze tussenboezemkade.

Over de oorzaak van het verschuiven zijn verschillende rapporten uitgebracht.

In deze procedure vordert de gemeente veroordeling van het hoogheemraadschap tot vergoeding van de als gevolg van de kadeverschuiving geleden schade. Deze vordering heeft de gemeente gebaseerd op art. 6:174 lid 1 BW. Krachtens dit artikel is de bezitter van een opstal, die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Deze aansprakelijkheid ontbreekt echter als de bezitter niet op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zou zijn geweest, indien hij het gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend. Bij openbare wegen rust deze risicoaansprakelijkheid op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert. Onder opstal worden verstaan gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder openbare weg mede begrepen het weglichaam, alsmede de weguitrusting.

De rechtbank heeft de vordering van de gemeente afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de kade wel als een opstal moet worden aangemerkt, maar dat deze voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. De langdurige droogte voorafgaand aan de verschuiving van de dijk mocht door het hoogheemraadschap niet worden beschouwd als een bedreiging van de stabiliteit en veiligheid van waterkeringen.

In hoger beroep heeft het gerechtshof het hoogheemraadschap aansprakelijk geoordeeld. Ook het hof gaat uit van een toepasselijkheid van art. 6:174 BW (risicoaansprakelijkheid voor opstallen). Op basis van de rapportages oordeelt het hof dat er sprake was van een gebrekkige toestand die bepalend is geweest voor de kadeverschuiving. Op grond daarvan voldeed de kade niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Volgens het hof doet daaraan niet af dat de extreme droogte toentertijd niet werd onderkend als een gevaar voor de stabiliteit van veendijken. Die onbekendheid komt volgens het hof voor risico van het hoogheemraadschap.

De Hoge Raad beslist in de eerste plaats, dat het hoogheemraadschap de bezitter van de kade is als bedoeld in art. 6:174 lid 1 BW.

Opstal?
De Hoge Raad neemt als uitgangspunt dat art. 6:174 BW een ruim begrip “opstal” kent. Een bouwwerk in de zin van deze bepaling kan naar zijn aard niet louter langs natuurlijke weg tot stand komen, maar daarvoor is menselijk ingrijpen vereist. Dat menselijk handelen heeft bijgedragen aan de (duurzame) bestemming of functie van dat werk. Het hangt van onder meer het soort van werk, de bestemming of functie af in hoeverre het menselijk ingrijpen aan het tot stand komen heeft bijgedragen. De Hoge Raad oordeelt dat de beslissing van het hof dat het dijklichaam is ontstaan door uitgraving en drooglegging, is gevormd naar de inzichten in waterkeringen, in stand is gehouden overeenkomstig hiervoor ontwikkelde richtlijnen en is voorzien van een in de grond aangebrachte beschoeiing, toereikend is voor het oordeel dat de veendijk een opstal is in de zin van art. 6:174 BW.

Gebrekkige toestand van de kade?
Het gaat hierbij om de eisen die men uit een oogpunt van veiligheid aan de desbetreffende opstal mag stellen (vgl. Hoge Raad 15 juni 2001, NJ 2002, 336 en Hoge Raad 20 oktober 2000, NJ 2000, 700). Bij die eisen spelen gedragsnormen als veiligheidsvoorschriften en in het algemeen te stellen zorgvuldigheidsnormen een belangrijke rol. Echter, de omstandigheid dat een opstal in algemene zin voldoet aan geldende veiligheidsvoorschriften staat er niet aan in de weg dat de opstal desalniettemin gebrekkig kan zijn. Immers de gebrekkige toestand hangt af van verschillende omstandigheden waaronder de aard van de opstal (al dan niet voor een breed publiek toegankelijk werk of gebouw, of een gesloten huis of werk op een besloten terrein), de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden (Hoge Raad 17 november 2000, NJ 2001, 10). Ook moet, aldus de Hoge Raad, in aanmerking worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar, de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Ook kan mede betekenis worden toegekend aan de aan het overheidslichaam, dat belast is met het beheer, toekomende beleidsvrijheid en de ter beschikking staande financiële middelen.

Deze aspecten begrenzen de aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 BW. Het is de bedoeling van de wetgever een te ruime aansprakelijkheid van de bezitter van de opstal te voorkomen door bepaalde eisen die worden gesteld aan een aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad ook te laten gelden voor deze aansprakelijkheid. Van een garantienorm rustende op de bezitter van een zaak is dan ook geen sprake.

Naar objectieve maatstaven zal moeten worden beoordeeld in hoeverre de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

Gelet op de aard en functie en bestemming van een veendijk en kade zal het enkele feit van een kadeverschuiving in het algemeen voldoende zijn voor het aannemen van het vermoeden dat de kade/dijk niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, behoudens door de bezitter (hier het hoogheemraadschap) ervan te leveren tegenbewijs. Met name de bestemming en de waarborgfunctie van een kade zijn in dit verband zwaarwegende factoren, met name in het licht van het betoog van het hoogheemraadschap met betrekking tot de niet-kenbaarheid van het gevaar van een kadeverschuiving.

De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof ten onrechte ervan uit is gegaan dat het niet zou aankomen op de toenmalige kennis over faalmechanisme en de toenmalige maatstaven voor belastingsituaties. Eveneens heeft het hof ten onrechte gepasseerd de aspecten met betrekking tot de toenmalige stand van wetenschap en techniek en de financiële kaders waarbinnen het hoogheemraadschap zijn beleidsstellingen trachtte te realiseren. Die aspecten zijn wel degelijk van belang bij de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag. Ook de stelling dat de kadeverschuiving zich heeft voorgedaan ten gevolge van specifieke en uitzonderlijke omstandigheden speelt een rol. In zijn algemeenheid, aldus de Hoge Raad, is het niet juist dat de onbekendheid van het gevaar op grond van de wet voor risico van het hoogheemraadschap zou komen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof en verwijst de zaak naar het gerechtshof te ’s Gravenhage voor een verdere behandeling en beslissing.

Bronvermelding: Rubriek Rechtspraak in het verzekeringsarchief onderdeel Hoge Raad