Zoeken
  1. Goed nieuws voor bestuurders: het beginsel van collectieve aansprakelijkheid geldt niet bij externe bestuurdersaansprakelijkheid

Goed nieuws voor bestuurders: het beginsel van collectieve aansprakelijkheid geldt niet bij externe bestuurdersaansprakelijkheid

De Hoge Raad heeft in een belangrijk arrest bepaald dat het beginsel van collectieve aansprakelijkheid en de invloed van taakverdelingen in dat verband, zoals toegepast in het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW, niet gelden bij externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW. De Hoge Raad houdt aldus vast aan de hogere lat voor aansprakelijkheid van een bestuurder. Dit betekent dat een bestuurder niet automatisch aansprakelijk is bij onbehoorlijke taakvervulling door een andere bestuurder.
Artikel | 23 april 2018 | Daan Baas

Zaak

In de zaak die ten grondslag ligt aan het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2018 gaat het om een collectieve-schadeclaim van beleggers tegen een bestuurder (vennootschap).

Beleggers hebben geïnvesteerd in een vastgoedproject in de Dominicaanse republiek, maar tot realisatie van het project is het niet gekomen. De aangesproken partij is een Nederlandse vennootschap die als niet-handelend bestuurder fungeerde. Doordat het project niet doorging, hebben eisers schade geleden doordat hun investering waardeloos bleek.

Zij claimen hun schade collectief van voornoemde bestuurder, omdat zij menen dat de collegiale verantwoordelijkheid van bestuurders (zoals bedoeld in art. 2:9 BW; interne aansprakelijkheid) de eis van een persoonlijk ernstig verwijt (ook) in het kader van art. 6:162 BW (onrechtmatige daad; externe aansprakelijkheid) mede vorm geeft.

Hoge Raad

De Hoge Raad gaat niet mee in de stelling van de beleggers.

Overwogen wordt:

Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen de maatstaf van HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen), die nadien is bevestigd in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21 (Hezemans Air) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22 (RCI).

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

[…]

Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, NJ 2017/215), voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend.

Uit het voorgaande volgt dat bij de toepassing van art. 6:162 BW in een geval als het onderhavige, de aan onderdeel 1 ten grondslag liggende rechtsopvatting [lees: collectieve aansprakelijkheid] niet kan worden aanvaard.

Kortom: voor aansprakelijkheid van een bestuurder is onverminderd nodig dat voor hem afzonderlijk wordt vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld én dat dit handelen/nalaten aan hem kan worden toegerekend. Een bestuurder handelt onrechtmatig als hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De nalatige handelwijze van de ene bestuurder hoeft aldus niet tot aansprakelijkheid van (ook) de andere bestuurder te leiden.

Verder hebben eisers gesteld dat niet-naleving door een vennootschap van wettelijke voorschriften ter bescherming van beleggend publiek in beginsel aansprakelijkheid van iedere bestuurder meebrengt. De Hoge Raad gaat ook daarin niet mee:

Ook als een vennootschap wettelijke voorschriften ter bescherming van het beleggend publiek schendt, geldt voor de aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap jegens derden, het hiervoor in 3.3.2 genoemde vereiste dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarmee verdraagt zich niet dat in dat geval de aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van art. 6:162 BW wordt aangenomen zonder dat sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt, of dat die aansprakelijkheid wordt aangenomen op grond van een vermoeden van een persoonlijk ernstig verwijt. De rechtsopvatting die onderdeel 3 verdedigt, kan niet worden aanvaard.

Ook in dit opzicht wordt dus strikt vastgehouden aan het ernstig persoonlijk verwijt-criterium.

Tot slot stellen eisers dat sprake is van persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen doordat de bestuurder er niet voldoende op heeft toegezien dat de Nederlandse regelgeving werd nageleefd en dat reeds sprake is van aansprakelijkheid van de bestuurder ingeval van onvoldoende toezicht op de andere bestuurder, aan wie deze taak was toebedeeld.

De Hoge Raad overweegt dat weliswaar onder omstandigheden dergelijk falend toezicht tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan leiden, maar dat het hof dat niet heeft miskend.

Conclusie

De Hoge Raad heeft in een belangrijk arrest bepaald dat het beginsel van collectieve aansprakelijkheid en de invloed van taakverdelingen in dat verband, zoals toegepast in het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW, niet gelden bij externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW. De Hoge Raad houdt aldus vast aan de hogere lat voor aansprakelijkheid van een bestuurder en gaat niet mee met de stelling van eisers dat de maatstaf van een ernstig persoon verwijt wordt afgezwakt.

Kortom: voor aansprakelijkheid van een bestuurder is onverminderd nodig dat voor hem afzonderlijk wordt vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld én dat dit handelen/nalaten aan hem kan worden toegerekend. Een bestuurder handelt onrechtmatig als hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De nalatige handelwijze van de ene bestuurder hoeft aldus niet tot aansprakelijkheid van (ook) de andere bestuurder te leiden.