Zoeken
  1. Hoge Raad over de uitleg en toepassing van de nieuwe opzetclausule in de AVP-polis

Hoge Raad over de uitleg en toepassing van de nieuwe opzetclausule in de AVP-polis

Op 13 april 2018 heeft de Hoge Raad een voor de praktijk belangwekkend arrest (ECLI:NL:HR:2018:601) gewezen over de nieuwe opzetclausule. Met de nieuwe opzetclausule wordt bedoeld de opzetclausule die is opgenomen in het Standaardpolismodel AVP 2000, opgesteld door het Verbond van Verzekeraars.
Auteur artikelFrank van Toorn
Gepubliceerd11 juni 2018
Laatst gewijzigd11 juni 2018
Leestijd 

Inleiding

Op 13 april 2018 heeft de Hoge Raad een voor de praktijk belangwekkend arrest (ECLI:NL:HR:2018:601) gewezen over de nieuwe opzetclausule. Met de nieuwe opzetclausule wordt bedoeld de opzetclausule die is opgenomen in het Standaardpolismodel AVP 2000, opgesteld door het Verbond van Verzekeraars. De nieuwe opzetclausule luidt als volgt:

Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten.”

De Hoge Raad verschaft met zijn arrest duidelijkheid over de vraag onder welke voorwaarden de nieuwe opzetclausule van toepassing is. Dit is van belang omdat indien de nieuwe opzetclausule van toepassing is, de verzekeraar die daar een beroep op doet geen dekking behoeft te verlenen. De ratio van de opzetclausule is dat verzekeraars geen dekking wensen te verlenen voor crimineel gedrag. Daar staat tegenover dat de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP) een belangrijke rol vervult in het maatschappelijk verkeer, omdat indien de dader geen dekking heeft op grond van de opzetclausule de financiële bescherming van het slachtoffer doorgaans illusoir zal zijn. De Hoge Raad tracht in zijn arrest een evenwicht te vinden tussen het belang van het van dekking uitsluiten van crimineel gedrag enerzijds en het belang van slachtofferbescherming anderzijds.

Na een korte bespreking van de casus die ten grondslag ligt aan het arrest van de Hoge Raad, zal ik nader ingaan op de belangrijkste overwegingen van het arrest.

De onderliggende casus

Een vader heeft diens vijf maanden oude baby meermalen met kracht door elkaar geschud, volgens de vader met de intentie het huilen van de baby te stoppen. Als gevolg van dit schudden heeft de baby ernstig hersenletsel opgelopen (‘shaken baby syndroom’). De vader is vervolgens strafrechtelijk veroordeeld voor het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel door schuld (artikel 308 Sr). De moeder is in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de baby een civiele procedure gestart tegen Reaal, de AVP-verzekeraar van de vader. Zij vordert jegens Reaal op grond van artikel 7:954 BW (directe actie) veroordeling tot betaling van het bedrag dat Reaal gehouden is uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering aan de vader uit te keren.

Reaal verweert zich met een beroep op de hierboven geciteerde nieuwe opzetclausule en acht zich niet gehouden dekking te verlenen. De rechtbank en het hof hebben het beroep van Reaal op de opzetclausule verworpen en de vorderingen van de moeder toegewezen. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet in de zin van de nieuwe opzetclausule. Daartoe stelt het hof dat gelet op het oordeel in de strafzaak enkel sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen van de vader. Het hof wijst erop dat het pas tijdens het schudden tot de vader is doorgedrongen dat wat hij deed niet goed was en vervolgens is hij daar meteen mee gestopt. Volgens het hof had de vader dan ook niet de intentie om zijn baby te mishandelen.

Reaal is vervolgens in cassatie gegaan tegen het oordeel van het hof.

Voorwaarden voor toepassing van de nieuwe opzetclausule

Aangezien de nieuwe opzetclausule in een groot aantal AVP-polissen voorkomt en over de strekking daarvan zowel in de rechtspraktijk als in de rechtswetenschap uiteenlopend wordt geoordeeld, ziet de Hoge Raad aanleiding om vanuit het oogpunt van rechtseenheid duidelijkheid te verschaffen over de toepassing van de nieuwe opzetclausule.

Na een doorwrochte analyse van de Hoge Raad over de uitleg van de nieuwe opzetclausule – bezien tegen de achtergrond van de toelichting op de opzetclausule van het Verbond van Verzekeraars – formuleert de Hoge Raad het volgende uitgangspunt voor toepassing van de nieuwe opzetclausule:

Op grond van het voorgaande is voor toepassing van de opzetclausule bij een schadevoorval uitgangspunt dat sprake moet zijn van een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging van de verzekerde die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, en waarbij het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt.”

Uit bovenstaande formulering kunnen de volgende voorwaarden voor toepassing worden afgeleid:

  • Een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging van de verzekerde;
  • De gedraging is objectief bezien gericht op het doen ontstaan van letsel of zaakschade;
  • Het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade kan naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging worden aangemerkt.

Ter illustratie van de toepassing van deze voorwaarden kan dienen het in de toelichting op de nieuwe opzetclausule genoemde voorbeeld (dat de Hoge Raad ook bespreekt) van een draai om de oren die tot doofheid leidt. De draai om de oren betreft een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging, maar die gedraging is objectief bezien niet gericht op het doen ontstaan van doofheid omdat dit niet als een te verwachten of normaal gevolg van de draai om de oren kan worden aangemerkt. Daarom valt dit voorbeeld niet onder de uitsluiting van de nieuwe opzetclausule.

Of het criterium van “een te verwachten of normaal gevolg” een voor de rechtspraktijk goed hanteerbaar criterium is valt nog te bezien.

Ruimte voor maatwerk

Om te beoordelen of met succes een beroep kan worden gedaan op de nieuwe opzetclausule is het enkel toetsen van het feitencomplex aan de bovengenoemde voorwaarden voor toepassing onvoldoende. Zo overweegt de Hoge Raad dat zelfs indien op zichzelf aan de genoemde voorwaarden voor toepassing van de opzetclausule is voldaan, alsnog kan worden geoordeeld dat, vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval, de opzetclausule desondanks niet van toepassing is. Volgens de Hoge Raad gaat het er in dat kader om of de schade voor de toepassing van de opzetclausule in redelijkheid aan die gedraging kan worden toegerekend. De grondslag daarvan wordt door de Hoge Raad gevonden in de betekenis die de AVP blijkens de toelichting op de nieuwe opzetclausule in het maatschappelijk verkeer heeft, waardoor ruimte bestaat om de opzetclausule zodanig toe te passen dat redelijke en maatschappelijk aanvaardbare resultaten worden bereikt.

De vraag rijst wat dan die bijzondere omstandigheden zijn? De Hoge Raad merkt op dat gewicht toekomt aan diverse factoren, waaronder:

  • De aard van de onrechtmatige gedraging van de verzekerde;
  • De omstandigheden waaronder de gedraging is verricht;
  • De mate waarin de verzekerde een verwijt van zijn gedraging gemaakt kan worden of andere subjectieve omstandigheden aan diens zijde;
  • De aard en de ernst van de schadelijke gevolgen.

Volgens de Hoge Raad dienen bovengenoemde factoren te worden bezien in “het licht van de strekking en maatschappelijke betekenis van de AVP”.

Toepassing door de Hoge Raad

Na een uitleg over de voorwaarden voor toepassing van de nieuwe opzetclausule en een uiteenzetting over bijzondere omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat de opzetclausule buiten toepassing blijft, doet de Hoge Raad de onderhavige zaak zelf af.

In casu is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat hoewel an sich aan de voorwaarden voor toepassing van de nieuwe opzetclausule is voldaan, de opzetclausule desondanks niet van toepassing is. Zo oordeelt de Hoge Raad dat in dit geval sprake is van een opzettelijke gedraging (het door elkaar schudden), die was gericht tegen een persoon (de baby) en naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg hersenletsel kan meebrengen, en daarom objectief bezien gericht was op het toebrengen van zodanig letsel. De Hoge Raad merkt voorts nog op dat voor toepassing van de opzetclausule niet vereist is dat het subjectieve opzet van de vader gericht is geweest op de gevolgen van zijn gedraging, en dat ook strafrechtelijke schuldgradaties onder opzettelijk handelen als bedoeld in de opzetclausule (kunnen) vallen. Kortom: aan de voorwaarden voor toepassing van de opzetclausule is an sich voldaan.

Vervolgens maakt de Hoge Raad de “sprong” naar de bijzondere omstandigheden. Zo oordeelt de Hoge Raad dat de onderhavige gedraging van de vader niet kan worden aangemerkt als het soort gedrag waarop de opzetclausule blijkens de toelichting het oog heeft, waardoor de opzetclausule in dit geval buiten toepassing dient te blijven. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat gelet op de feitelijke vaststellingen de vader slechts de intentie had het huilen van de baby te stoppen en het onoorbare van zijn gedraging niet besefte, en dat hij daarmee ophield zodra dat wel tot hem doordrong. De Hoge Raad wijst er voorts op dat de vader vanwege een persoonlijkheidsstoornis als sterk verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen, zodat hem slechts in zeer geringe mate een persoonlijk verwijt van zijn gedraging valt te maken. Aldus is de Hoge Raad van oordeel dat vanuit het oogpunt van slachtofferbescherming – gelet op de maatschappelijke functie van de AVP – de opzetclausule in het onderhavige geval buiten toepassing dient te blijven.  

Conclusie

Met dit arrest heeft de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over de vraag onder welke voorwaarden de nieuwe opzetclausule van toepassing is. Dit neemt evenwel niet weg dat de uitleg en toepassing van die voorwaarden in concrete gevallen bron van discussie blijft.