De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Moment van betaling voor meer dan verzekeraar aangaat bepalend voor verjaring regresrecht verzekeraar ex artikel 7:961 lid 3 BW

Moment van betaling voor meer dan verzekeraar aangaat bepalend voor verjaring regresrecht verzekeraar ex artikel 7:961 lid 3 BW

In een recent arrest (15 mei 2020) heeft de Hoge Raad duidelijkheid geschapen over het moment van ontstaan en het moment van verjaren van regresvorderingen tussen verzekeraars, wanneer die regresvorderingen gebaseerd zijn op artikel 7:961 lid 3 BW. Het gaat daarbij om de situatie waarin een verzekeraar meer uitkeert dan hem aangaat. In dat geval heeft die verzekeraar volgens artikel 7:961 lid 3 BW verhaal op de andere tot uitkering verplichte verzekeraar, voor het bedrag dat hij te veel heeft uitgekeerd.
Auteur artikelElline Diedering
Gepubliceerd09 juni 2020
Laatst gewijzigd16 juni 2020
Leestijd 

Relevante feiten en omstandigheden

Voor recht is verklaard dat een ziekenhuis en een daar werkzame internist toerekenbaar tekort zijn geschoten, nadat ze aansprakelijk zijn gesteld door een patiënt die vanaf 1989 tot in ieder geval 1998 onder behandeling heeft gestaan van die internist. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering van het ziekenhuis was tot 1 april 1990 afgesloten bij (rechtsvoorgangster van) Reaal Verzekeringen N.V. (hierna: Reaal). Vanaf 1 april 1990 is Centraal Beheer Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Centraal Beheer) de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis.

Reaal heeft de schadeafwikkeling ter hand genomen. Reaal heeft in 2001 en 2005 een voorschot op de schadevergoeding aan de patiënt uitgekeerd en in 2006 sloot Reaal een vaststellingsovereenkomst met de patiënt. Op 11 mei 2006 deed Reaal een slotuitkering van  EUR 213.655.

De zaak lag vervolgens stil totdat Reaal op 6 mei 2011 per brief aan Centraal Beheer liet weten dat zij zich haar rechten op vergoeding van schade voorbehield en dat Centraal Beheer de brief diende te beschouwen als een stuiting in de zin van art. 3:317 BW. Vervolgens sommeerde Reaal bij brief van 26 juni 2012 Centraal Beheer tot betaling aan Reaal van het bedrag van de slotuitkering, vermeerderd met wettelijke rente. Centraal Beheer heeft niet aan deze sommatie voldaan.

De oordelen van de rechtbank en het gerechtshof

Reaal startte vervolgens op 6 juli 2015 een procedure en vorderde (onder meer) een verklaring voor recht die inhield dat Centraal Beheer aan Reaal bedrag van EUR 305.103,40 verschuldigd is (de slotuitkering van EUR 213.655, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 mei 2006).

Reaal baseerde die vordering op de stelling dat de schade van de patiënt is ontstaan tijdens de looptijd van de door het ziekenhuis met Centraal Beheer gesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering en daarom onder de polis van Centraal Beheer gedekt was. Omdat een andere polis dekking bood, bood de polis van Reaal volgens haar geen dekking. Dat zou volgens Reaal betekenen dat zij meer vergoed heeft dan haar aangaat. Centraal Beheer verweerde zich door zich (onder meer) op het standpunt te stellen dat de vordering van Reaal was verjaard.

De rechtbank en het hof oordeelden beide dat de vordering van Reaal niet was verjaard. Het hof baseerde haar oordeel op een eerder arrest van de Hoge Raad (ASR/Achmea, zie hierna) en oordeelde dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldenaar voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat en tevens dat de verjaringstermijn de dag na die betaling aanvangt. De vordering van Reaal op Centraal Beheer was dus nog niet verjaard volgens het hof.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat een regresvordering gegrond op artikel 7:961 lid 3 BW ontstaat op het moment dat een verzekeraar meer vergoedt dan hem aangaat:

“3.3.2

De tekst en strekking van art. 7:961 lid 3 BW brengen mee dat de regresvordering van de ene verzekeraar op de andere verzekeraar als bedoeld in die bepaling, ontstaat op het moment dat een verzekeraar de schade van de verzekerde vergoedt voor meer dan zijn deel. Het is immers aan een dergelijke betaling dat de wet het ontstaan van de regresvordering verbindt.”

De vordering van een verzekeraar uit hoofde van artikel 7:961 lid 3 BW moet daarnaast worden gezien als een rechtsvordering tot vergoeding van schade in de zin van artikel 3:310 lid 1 BW, zodat dat artikel het verjaringsregime van een vordering uit artikel 7:961 lid 3 BW beheerst. Over de aanvang van de termijn uit artikel 3:310 BW oordeelt de Hoge Raad:

“3.4.2

Ingevolge art. 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor nodig dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. De vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW kan dan ook niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden. Dit geldt ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is. De benadeelde is immers niet daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen voordat de vordering opeisbaar is geworden.

 3.4.3

Een regresvordering als bedoeld in art. 7:961 lid 3 BW ontstaat op het moment dat een verzekeraar de schade aan de verzekerde vergoedt voor meer dan zijn deel (zie hiervoor in 3.3.2). De vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW vangt voor een regresvordering als bedoeld in art. 7:961 lid 3 BW dan ook niet eerder aan dan op de dag na die waarop de desbetreffende verzekeraar de schade aan de verzekerde heeft vergoed voor meer dan zijn deel.”

Verhouding tot eerder oordeel Hoge Raad in ASR/Achmea

Het oordeel van de Hoge Raad in deze kwestie sluit grotendeels aan bij een eerder oordeel van de Hoge Raad. Op 6 april 2012 deed de Hoge Raad uitspraak in een kwestie tussen verzekeraars ASR Schadeverzekering N.V. en Achmea Schadeverzekeringen N.V. Die zaak ging om de verjaring van een vordering uit hoofdelijkheid (artikel 6:10 BW). De Hoge Raad maakte in dat arrest duidelijk dat de verjaring van een regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar/verzekeraar wordt beheerst door artikel 3:310 lid 1 BW, omdat een dergelijke regresvordering kan worden beschouwd als een "rechtsvordering tot vergoeding van schade". Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat een regresvordering uit hoofde van artikel 6:10 BW ontstaat op het moment dat een verzekeraar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. De verjaringstermijn uit artikel 3:310 BW neemt dan ook een aanvang op de dag, volgende op die waarop de verzekeraar de schuld voldoet voor meer dan hem aangaat.

Hoewel het arrest in ASR/Achmea zag op een andere grondslag dan artikel 7:961 BW, lijkt de Hoge Raad de redenering van ASR/Achmea ten aanzien van het ontstaan van de regresvordering in het onderhavige arrest ook te volgen. De Hoge Raad oordeelt immers dat vorderingen uit hoofde van artikel 7:961 BW, evenals vorderingen uit hoofde van artikel 6:10 BW, pas ontstaan wanneer de verzekeraar de schuld voldoet voor meer dan hem aangaat. Ook met betrekking tot het verjaringsregime dat op de regresvordering uit hoofde van artikel 7:961 BW van toepassing is oordeelt de Hoge Raad in lijn met ASR/Achmea: artikel 3:310 BW is van toepassing en de vordering verjaart na verloop van vijf jaren, gezien vanaf de dag na die waarop de desbetreffende verzekeraar de schade aan de verzekerde heeft vergoed voor meer dan zijn deel.

Het arrest van 15 mei verschilt echter op één belangrijk punt met het arrest in ASR/Achmea. In ASR/Achmea had de Hoge Raad namelijk bepaald dat een verjaringstermijn die op de voet van artikel 3:310 BW is gaan lopen, mede geldt voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde redelijkerwijs kon verwachten dat hij die als gevolg van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen gaan lijden. Wanneer het dus gaat om separate betalingen van een verzekeraar ten aanzien van één en dezelfde schade, is het ontstaansmoment van de eerste van die betalingen bepalend voor de aanvang van de verjaringstermijn van al die betalingen.

Volgens de Hoge Raad geldt deze redenering niet voor de regresvordering gebaseerd op artikel 7:961 lid 3 BW. Voor rechtsvorderingen uit hoofde van artikel 7:961 lid 3 BW geldt niet dat ze (allemaal) al ontstaan wanneer de daadwerkelijke schade is geleden/de eerste betaling is gedaan. Bepalend voor het moment van ontstaan van de vordering is steeds de dag waarop de verzekeraar de schade aan de verzekerde heeft vergoed voor meer dan zijn deel, ook wanneer de schade en de aansprakelijke persoon al eerder bekend zijn.

Conclusie

Het hiervoor besproken arrest heeft duidelijkheid gegeven over de verjaring van regresvorderingen tussen verzekeraars uit hoofde van artikel 7:961 lid 3 BW. Wanneer een verzekeraar meer vergoedt dan hem aangaat, verjaart een vordering op een andere betrokken verzekeraar vijf jaar na de dag waarop eerstgenoemde verzekeraar heeft betaald. Dit geldt dus in het geval van meerdere separate betalingen voor iedere betaling opnieuw. Verzekeraars doen er dus ook in het kader van regres uit hoofde van artikel 7:961 lid 3 BW steeds verstandig aan termijnen goed te bewaken en tijdig stuitingshandelingen te verrichten.