Zoeken
  1. Ongeval tijdens een bedrijfsfeest. Een kijkje in de keuken van werkgeversaansprakelijkheid bij uitjes en feestjes

Ongeval tijdens een bedrijfsfeest. Een kijkje in de keuken van werkgeversaansprakelijkheid bij uitjes en feestjes

Wanneer een werknemer na afloop van het jubileumfeest van zijn werkgever in zijn eentje naar zijn auto wandelt, struikelt hij op het parkeerterrein. Hij valt met zijn hand in een stuk glas en raakt (ernstig) gewond. Wanneer blijkt dat tussen de activiteiten en de werkzaamheden van de werknemer een onvoldoende nauw verband bestaat om aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW aan te nemen, rijst de vraag of de werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW.
Artikel | 28 augustus 2018 | Letske Hofstra

Feiten & omstandigheden

Op 20 september 2013 struikelt een werknemer (benadeelde) na afloop van het jubileumfeest van zijn werkgever wanneer hij in zijn eentje naar zijn auto wandelt die geparkeerd staat op een onverhard en oneffen parkeerterrein. Volgens benadeelde lag het terrein vol puin, stenen, losse klinkers, bakstenen, glas, metaal, pinnen en losse pallets. Door de val haalt de werknemer zich open aan een stuk glas en loopt blijvend letsel op aan zijn hand.  

De werkgever wordt aansprakelijk gesteld op grond van de artikelen 7:658 en 7:611 BW. Als aansprakelijkheid door de werkgever (en de aansprakelijkheidsverzekeraar) wordt afgewezen, start benadeelde een deelgeschilprocedure.

Werkgeversaansprakelijkheid bij bedrijfsuitjes

Op grond van artikel 7:658 BW is een werkgever verplicht zorg te dragen voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. De werkgever moet de werkzaamheden zo organiseren dat de werknemer beschermd is tegen de veiligheidsrisico’s die aan zijn arbeid zijn verbonden. Als een ongeval plaatsvindt tijdens een door de werkgever georganiseerde (ontspannende) activiteit kan dit leiden tot aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW. Vereist is dan dat tussen de activiteit(en) en de werkzaamheden van de werknemer een voldoende nauw verband bestaat. Of hieraan is voldaan hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Wordt een uitje georganiseerd in het kader van teambuilding, dan kán geconcludeerd worden dat artikel 7:658 BW toepasselijk is. Het uitje heeft immers een toegevoegde waarde voor het bedrijf zelf. Belangrijk element is ook de vraag of deelname (min of meer) verplicht is. Vergelijk in dit kader bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BY1855 (Speedboat).

Als de schade niet is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden kan een beroep worden gedaan op artikel 7:611 BW. Uit dit artikel volgt dat de werkgever en de werknemer verplicht zijn zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen, het zogenaamde ‘goed werkgeverschap’. Is de schade van een werknemer (mede) ontstaan, omdat een werkgever zich niet overeenkomstig artikel 7:611 BW heeft gedragen als een goed werkgever, dan kan aansprakelijkheid gebaseerd worden op dit artikel. Dit volgt bijvoorbeeld uit het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1996 (Rollerskate). Er resteert wel een beperkte ruimte voor de toepassing van artikel 7:611 BW naast artikel 7:658 BW. De bijzondere regels over bewijslast en eigen schuld van de werknemer van artikel 7:658 BW gelden niet bij een beroep op artikel 7:611 BW.  

De beoordeling in deze zaak

Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW
In geschil is allereerst de vraag of de schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden in de zin van artikel 7:658 BW. Van belang is hierbij dat het feest plaatsvond op vrijdagavond buiten werktijd en dat werknemers zelf konden kiezen of ze aanwezig waren en zo ja, bij welke onderdelen. Deelname was dus niet verplicht en door de werkgever werd geen druk uitgeoefend op de aanwezigheid van de werknemers. Kortom, de aanwezigheid op het feest was vrijblijvend. Dat het wegblijven van het feest ook maar enige consequentie had voor de positie van werknemers of dat zij daarop zijn aangesproken blijkt niet.

De rechter wijst de door benadeelde verzochte aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW af.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW
De rechter stelt voorop dat een werkgever die voor zijn werknemers een activiteit organiseert of doet organiseren waaraan een bijzonder risico op schade is verbonden, uit hoofde van goed werkgeverschap gehouden is de ter voorkoming van die schade redelijkerwijs van hem te verwachten zorg te betrachten.

Benadeelde stelt dat sprake was van een onverhard en oneffen parkeerterrein dat vol lag met puin. Er ontbrak bovendien enige verlichting.

De rechter is van oordeel:

dat als dit daadwerkelijk de feitelijke situatie is geweest op het terrein waarop een deel van de werknemers van Ziggo heeft moeten parkeren (anderen werden kennelijk verwezen naar een nabijgelegen ventweg langs de [adres], Ziggo deze werknemers aan een bijzonder risico op schade heeft blootgesteld.”

Dit geldt in het bijzonder voor benadeelde omdat hij een klapvoet heeft en om die reden ook nog om een alternatieve parkeerplaats had gevraagd, aldus de rechter.

Het voorgaande wordt door de werkgever betwist. De rechter komt tot de conclusie dat niet vastgesteld kan worden:

of Ziggo al dan niet aan haar op eisen van goed werkgeverschap gebaseerde zorg- en preventieplicht heeft voldaan. Of de val van [verzoeker] als een ‘huis- tuin en keukensituatie’ of als ‘domme pech’ moet worden gezien waarbij aansprakelijkheid ontbreekt zoals Ziggo heeft gesteld en voor zover dat in het kader van 7:611 BW nog een rol kan spelen valt op dit moment niet te beoordelen.”

Het een en ander moet door middel van nadere onderbouwing en/of bewijslevering duidelijk worden. Hier is de deelgeschilprocedure niet geschikt voor. Kortom, het verzoek is voor zover het is gebaseerd op artikel 7:611 BW op dit moment niet toewijsbaar en wordt afgewezen.