Zoeken
  1. Procederen hoger beroep

Procederen in hoger beroep: vlieg niet op de automatische piloot

Een treffend voorbeeld van de juistheid van de stelling dat procederen in hoger beroep toch een vak apart is.
Artikel | 31 augustus 2018 | Tom van Malssen

Het ging om een verdelingsgeschil tussen een aantal erven. Op enig moment was tussen de erven een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de procedure vorderde één van de erven (tevens appellant in het hoger beroep) een geldbedrag van de andere erven. Hieraan legde hij een beroep op dwaling ten grondslag, onderbouwd met de stelling dat na vernietiging van de vaststellingsovereenkomst een nieuwe verdeling plaats zou moeten vinden met inachtneming van het gevorderde bedrag. Hij had echter geen vernietiging van de vaststellingsovereenkomst gevorderd.

De rechtbank overwoog in eerste aanleg onder meer het volgende:

“4.13. De rechtbank overweegt dat een geslaagd beroep op dwaling leidt tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. [appellant] heeft echter geen vernietiging van de vaststellingsovereenkomst gevorderd, maar betaling van een geldbedrag. Nu een geslaagd beroep op dwaling niet kan leiden tot toewijzing van een geldbedrag, kan dwaling niet dienen als grondslag voor het door [appellant] gevorderde en is het gevorderde reeds daarom niet toewijsbaar.”

Ten overvloede had de rechtbank verder nog overwogen dat het beroep op dwaling ook op inhoudelijke gronden niet kan slagen.

In hoger beroep richt de in het ongelijk gestelde erfgenaam geen grieven tegen de zojuist geciteerde – dragende – overweging van de rechtbank. Hij richt uitsluitend grieven tegen de overwegingen ten overvloede.

Wel bevatte de memorie van grieven de standaardzin dat appellant het geding “in volle omvang” aan het hof voor wilde leggen. Een dergelijke zin – die in zeker 80 tot 90 % van de memories van grieven is ingekopieerd – heeft echter geen zelfstandige betekenis, nu het grievenstelsel met zich brengt dat uitsluitend behoorlijk in het geding gebrachte en voor de wederpartij ook als zodanig kenbare grieven door het hof moeten worden beoordeeld.

Gevolg van het voorgaande is dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch als “onbestreden rechtbankoordeel” aan moet nemen dat dwaling niet kan dienen als grondslag voor de geldvordering van de erfgenaam die de procedure aanhangig had gemaakt. De grieven tegen de door de rechtbank ten overvloede gegeven overwegingen zijn overbodig.

En de erfgenaam staat met lege handen.