1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Verzekeringsplicht werkgever artikel 7:611 BW geldt niet voor zzp'er

Verzekeringsplicht van artikel 7:611 BW geldt niet voor zzp'er

Namens een zzp'er was cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:10566) waarin het hof kortweg had geoordeeld dat de verzekeringsplicht bij verkeersongevallen van artikel 7:611 BW zoals die bestaat voor werknemers niet gold ten opzichte van zzp'ers. De Hoge Raad heeft dat cassatieberoep verworpen in het arrest van 17 september 2021. De Hoge Raad heeft de kwestie afgedaan op artikel 81 RO en dus geen nadere motivering gegeven.
Leestijd 
Auteur artikel Annelijn Bloo-Kroes
Gepubliceerd 21 september 2021
Laatst gewijzigd 21 september 2021
 

Achtergrond 

Een zzp'er is een eenzijdig verkeersongeval overkomen terwijl hij een bedrijfsauto bestuurde van zijn opdrachtgever. De zzp'er liep als gevolg van het verkeersongeval letsel op. De zzp'er sprak de opdrachtgever aan tot vergoeding van zijn schade. Volgens de zzp'er kan hij zijn opdrachtgever aanspreken vanwege schending van een verzekeringsplicht, vergelijkbaar met de verzekeringsplicht die een werkgever op grond van artikel 7:611 BW ten opzichte van zijn zijn werknemers heeft voor (schade door) verkeersongevallen.

De verzekeringsplicht is beperkt tot werknemers die als:

  1. bestuurder van een motorvoertuig schade lijden als gevolg van een ongeval;
  2. fietser of voetganger schade lijden als gevolg van een ongeval waarbij een of meer voertuigen zijn betrokken; en
  3. fietser schade lijden als gevolg van een eenzijdig ongeval.

In de bekende arresten van 11 november 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het bereik van de verzekeringsplicht van artikel 7:611 BW niet verder kon worden uitgebreid. De Hoge Raad heeft overwogen dat verdergaande bescherming van werknemers niet aan de rechter maar aan de wetgever is.

Volgens de Hoge Raad bestaan er op zichzelf goede argumenten om werknemers een verdergaande, algemene bescherming tegen het risico van ongevallen in verband met hun werkzaamheden te bieden dan op dit moment wordt geboden, maar ligt het op de weg van de wetgever om daarvoor een regeling te maken. Een dergelijke algemene regeling gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. Bij de huidige stand van de wetgeving blijft, mede met het oog op de vereiste rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht, de in de rechtspraak aanvaarde en uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsplicht van de werkgever dus beperkt tot de drie voornoemde afgebakende situaties.

 

Arrest van het hof

Het hof had in zijn arrest geoordeeld dat niet is uitgesloten dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) in de rechtsverhouding tussen een opdrachtgever en een opdrachtnemer die niet in een arbeidsrechtelijke verhouding staat tot die opdrachtgever onder omstandigheden meebrengt dat op de opdrachtgever een verzekeringsplicht rust die vergelijkbaar is met de verzekeringsplicht die die opdrachtgever op grond van artikel 7:611 BW ten opzichte van zijn werknemers heeft.

Een van de bijzondere omstandigheden, zoals hiervoor bedoeld, die het hof in dat kader van wezenlijk belang acht is, dat de zelfstandig ondernemer, die werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van degene in opdracht van wie de arbeid is verricht, zich in een vergelijkbare positie bevindt als een werknemer die werkzaam is in het bedrijf van de opdrachtgever.

Volgens overwoog het hof dat daar in het concrete geval geen sprake van was. De zzp'er in kwestie zat niet in een vergelijkbare positie als een werknemer die in het bedrijf van de opdrachtgever werkzaam was. Het hof overwoog:

"Het hof leidt uit bovengenoemde omstandigheden af dat tussen het bedrijf van [appellant] en [geïntimeerde] werk werd uitgewisseld en dat de bedrijven elkaar over en weer een helpende hand boden. Bovendien blijkt dat [appellant] een bijzondere positie innam binnen [geïntimeerde] en dat hij werkzaamheden uitvoerde op basis van een op gelijkwaardigheid gebaseerde relatie tussen hem en [geïntimeerde] . Van een gezagsverhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] is het hof niet gebleken. Daarom kan niet worden gezegd dat [appellant] op gelijke voet stond met de werknemers van [geïntimeerde] . Het enkele feit dat ook de werknemers van [geïntimeerde] van de bedrijfsauto gebruik maakten of konden maken in het kader van de uitvoering van hun werkzaamheden, maakt het voorgaande niet anders. Om die reden is het niet afsluiten van een inzittendenschadeverzekering voor de bedrijfsauto van [geïntimeerde] niet in strijd met de ten opzichte van [appellant] in acht te nemen redelijkheid en billijkheid. Het hof laat daarbij buiten beschouwing dat tussen partijen ter discussie staat of [appellant] ten tijde van het ongeval onderweg was in verband met een opdracht van [geïntimeerde] en of de auto waarin hij reed een bedrijfsauto van [geïntimeerde] was. Op dezelfde gronden is evenmin sprake van onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] , te minder omdat [appellant] zijn ondernemersrisico, namelijk het risico op arbeidsongeschiktheid, had gedekt door het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering."

Kortom, de verzekeringsplicht van artikel 7:611 BW strekt zich volgens het hof in dit geval niet uit tot de zzp'er en de zzp'er kan zijn opdrachtgever niet met succes aanspreken tot vergoeding van zijn schade wegens schending van de verzekeringsplicht. 


Conclusie A-G Hartlief

De zzp'er kon zich niet vinden in het oordeel van het hof en heeft cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Voor het arrest heeft A-G Hartlief een conclusie geschreven. Hartlief concludeerde ook tot verwerping van het cassatieberoep. Hartlief heeft onder andere toegelicht dat een dergelijke verzekeringsplicht vergaande rechtsvormende inspanningen van de Hoge Raad zou vergen die niet verstandig zijn:

"Hoewel een met die van werknemers vergelijkbare bescherming van zelfstandige opdrachtnemers in de vorm van een verzekeringsplicht voor schade bij verkeersongevallen niet ondenkbaar is, zou zij bij de huidige stand van de wetgeving, zonder vergaande rechtsvormende inspanningen van Uw Raad niet mogelijk zijn. Uw Raad zou daartoe niet moeten overgaan gelet op de boodschap van de arresten van 11 november 2011 ten aanzien van het bereik van de art. 7:611 BW-verzekeringsplicht (‘tot hier en niet verder’; randnummers 4.18 e.v. hierna) en op de omstandigheid dat de positie van zelfstandig ondernemers (al of niet zzp’er), ook waar het de bescherming tegen arbeidsongeschiktheid betreft, op dit moment nadrukkelijk de aandacht van de politiek heeft."

Afsluiting

De Hoge Raad heeft zoals benoemd het arrest van het hof in stand gelaten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de cassatieklachten is het volgens de Hoge Raad namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.

De verzekeringsplicht bij verkeersongevallen van artikel 7:611 BW wordt dus vooralsnog niet uitgebreid naar zzp'ers. De verzekeringsplicht is beperkt tot de categorieën die hiervoor zijn genoemd. Het maken van een uitbreiding op die verzekeringsplicht is aan de wetgever. Het is afwachten of de wetgever die handschoen oppakt.