Zoeken
  1. Wanneer start de verjaringstermijn van 20 jaar voor opstalaansprakelijkheid (art. 6:174 BW)?

Wanneer start de verjaringstermijn van 20 jaar voor opstalaansprakelijkheid (art. 6:174 BW)?

De Hoge Raad heeft op 22 maart 2019 uitgelegd wanneer de ‘objectieve’ verjaringstermijn van 20 jaar voor de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen (art. 6:174 BW) begint te lopen (ECLI:NL:HR:2019:412). Volgens de Hoge Raad begint voor art. 6:174 BW de 20 jaarstermijn pas te lopen zodra de gebrekkige toestand is opgehouden te bestaan.
Artikel | 16 april 2019 | Jonathan Overes

De Hoge Raad heeft op 22 maart 2019 een belangrijke uitspraak gedaan over het aanvangsmoment van de twintigjarige verjaringstermijn van 3:310 BW voor opstalaansprakelijkheid (art. 6:174 BW) (ECLI:NL:HR:2019:412).

Verjaring van het recht op schadevergoeding: art. 3:310 BW

Het recht op schadevergoeding kan verjaren op twee gronden. Beide gronden worden gemeld in lid 1 van art. 3:310 BW. De eerste grondslag is de korte/subjectieve termijn: vijf jaar na de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De tweede grondslag is de lange/objectieve termijn: twintig jaar na “de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt”. Deze grondslagen zijn alternatief: zodra één van beide termijnen is verlopen, is de vordering verjaard. Dit is alleen anders als er tijdig een stuitingshandeling is verricht, bijvoorbeeld door het sturen van een aansprakelijkstelling.

Het gaat in dit arrest met name om deze tweede grondslag (de objectieve termijn van twintig jaar). Daarbij is voor de aanvang van de verjaring van belang wanneer “de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt”, heeft plaatsgevonden.

Risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen: art. 6:174 BW

Op grond van art. 6:174 BW is de bezitter van een opstal in beginsel aansprakelijk voor letsel of zaakschade als gevolg een ‘gebrek’ aan de opstal. Van een gebrek wordt gesproken als de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor een gevaar voor personen of zaken oplevert. Een onrechtmatige gedraging ligt dus niet aan deze risicoaansprakelijkheid ten grondslag: het gaat hierbij om een gebrek, en dat is geen gevaarlijke gedraging maar een gevaarlijke toestand. De vraag die in deze zaak aan de orde kwam, is van welke “gebeurtenis” moet worden uitgegaan in het geval de schade is veroorzaakt door een toestand.

De zaak van de Parkeergarage Zandvoort

Het ging in deze zaak om de schade van Parkeergarage Zandvoort, die bezitter was van een parkeergarage waarvan een vier meter hoge muur deel uitmaakte. Deze muur vormde de begrenzing van de parkeergarage met de inrit van een (andere) parkeerplaats, die hoorde bij een direct naastgelegen flatgebouw. Die inrit (oprit) liep schuin omhoog langs de muur. Deze situatie bestond al vanaf 1974, toen het flatgebouw was gebouwd.

In april 2015 – meer dan 40 jaar later – zag een bewoner van het flatgebouw dat de muur scheef stond en meldde dit aan de gemeente Zandvoort. De gemeente heeft de Parkeergarage opgedragen om de scheefstand op te lossen. Uit onderzoek volgde dat de scheefstand werd veroorzaakt door de naastgelegen en schuin omhoog lopende inrit van de naastgelegen parkeerplaats van het flatgebouw, omdat door de (verticale) druk van de auto’s over de inrit op de onderliggende grond een (horizontale) druk ontstond vanuit die grond op de naastgelegen muur.

De Parkeergarage hield de vereniging van eigenaren van het flatgebouw (hierna kortweg: het flatgebouw), als bezitter van de inrit, op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk voor de schade aan de muur. Het flatgebouw voerde daartegen meerdere verweren, waaronder twee verjaringsverweren. Volgens het flatgebouw was zowel de korte/subjectieve verjaringstermijn als de lange/objectieve verjaringstermijn verstreken voordat de aansprakelijkstelling in (mei) 2015 plaatsvond.

Wat betreft de korte/subjectieve verjaringstermijn stelde het flatgebouw dat de Parkeergarage al langer dan vijf jaar met de schade aan de muur bekend was. Het flatgebouw voerde daarbij aan dat op een foto van 2011 de scheefstand van de muur al zichtbaar was. Volgens het flatgebouw moest deze scheefstand gezien de geleidelijke inwerking toen al eerder zichtbaar zijn geweest en was de korte/verjaringstermijn daarom al in 2015 verlopen.

Wat betreft de lange/objectieve verjaringstermijn stelde het flatgebouw dat de gebrekkigheid van de inrit was terug te voeren op de “gebeurtenis” dat in 1974 de inrit was aangelegd zonder een grondkerende voorziening. Volgens het flatgebouw was de termijn van twintig jaar daarom al in 1974 gaan lopen en daarom verlopen toen de aansprakelijkstelling in 2015 werd ontvangen.

Het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam

Het Gerechtshof Amsterdam verwierp in hoger beroep allereerst het beroep van het flatgebouw op de korte/subjectieve verjaringstermijn. Het hof oordeelde dat het enkele feit dat op een foto uit 2011 al een aanzienlijke scheefstand zichtbaar was niet voldoende is om aan te nemen dat de Parkeergarage al vóór (mei) 2010 – in subjectieve zin – bekend was met deze schade. Meer dan de verwijzing naar die foto had het flatgebouw in dit kader ook niet aangevoerd.

Het hof ging echter wel deels mee in het beroep van het flatgebouw op de lange/objectieve verjaringstermijn. Het hof ging niet uit van de aanleg van de inrit als schadeveroorzakende gebeurtenis, maar van de sinds 1974 voortdurende aanwezigheid van een oprit zonder grondkerende voorziening. Het hof oordeelde dat voor de gronddruk direct na de aanleg in 1974 de verjaringstermijn toen direct al is gaan lopen. Volgens het hof was de schade veroorzaakt door gronddruk in de periode 1974 tot mei 1995 (twintig jaar voor de aansprakelijkstelling) daarom verjaard, maar was de schade door gronddruk na mei 1995 niet verjaard. Het hof wilde in dit kader een deskundige benoemen.

Het flatgebouw verzocht echter om tussentijds in cassatie te mogen gaan om bij de Hoge Raad het standpunt te verdedigen dat de schadeveroorzakende gebeurtenis hier (uitsluitend) de aanleg van de inrit in 1974 was. Ook verdedigde het flatgebouw bij de Hoge Raad wederom dat ook de korte/subjectieve verjaringstermijn – gezien de foto uit 2011 – moest zijn verlopen.

Het oordeel van de Hoge Raad en de consequenties daarvan

De Hoge Raad oordeelt eerst over de lange/objectieve verjaringstermijn. De Hoge Raad verwerpt het standpunt van het flatgebouw dat de aanleg van een direct al gebrekkige inrit als startpunt van deze verjaringstermijn moet worden gezien (r.o. 3.3.3). De Hoge Raad motiveert dit oordeel kort met de overweging dat het bij de aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 BW niet gaat om een schadeveroorzakende gedraging maar om een schadeveroorzakende toestand, en dat daarom bij art. 6:174 BW geen reden is om een gedraging (zoals de aanleg van de inrit) aan te merken als de schadeveroorzakende gebeurtenis. De aanleg was dus níet de schadeveroorzakende “gebeurtenis”.

De Hoge Raad verwerpt verder ook het beroep op de korte/subjectieve verjaringstermijn, zonder hiervoor een motivering nodig te achten (art. 81 RO). De Hoge Raad had blijkbaar niets toe te voegen aan het oordeel van het hof hierover.

Hoewel hiermee het doek viel voor het cassatieberoep door het flatgebouw, eindigt het arrest hiermee niet. De Hoge Raad geeft nog een ‘toegift’ over de lange/objectieve verjaringstermijn. In het midden was namelijk gebleven wat in deze situatie dan wél als schadeveroorzakende “gebeurtenis” moet worden aangemerkt. In een overweging ‘ten overvloede’ beantwoordt de Hoge Raad die vraag. De Hoge Raad stelt daarbij voorop dat de gedachte achter de lange/objectieve verjaringstermijn rechtszekerheid is en daarom een objectieve aanvangstijdstip beslissend moet zijn. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het voortdurende karakter van de schadeveroorzakende ‘gebeurtenis’ ertoe leidt dat onzekerheid bestaat over het aanvangstijdstip van de twintigjarige verjaring en dat dit zich niet verdraagt met de gedachte van rechtszekerheid. De Hoge Raad oordeelt daarom (r.o. 3.5.2):
“Daarom moet in een geval als dit worden aangenomen dat de termijn van twintig jaren begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan.”

Wat betekent dit laatste? Het lijkt erop dat de Hoge Raad hiermee bedoelt te zeggen dat de lange/objectieve verjaringstermijn pas begint te lopen nadat de gebrekkige toestand is opgehouden te bestaan. De Hoge Raad verwijst immers naar het hof die als schadeveroorzakende “gebeurtenis” de schadeveroorzakende toestand had aangenomen (r.o. 3.5.2) en had ook zelf al benadrukt dat het bij art. 6:174 BW gaat om een schadeveroorzakende toestand (r.o. 3.3.3). Die toestand is het gebrek in de zin van art. 6:174 BW. Volgens de Hoge Raad begint de twintigjarige termijn dus pas te lopen zodra de gebrekkige toestand is afgelopen.

Daarmee lijkt de Hoge Raad dus ook anders te oordelen dan het hof heeft gedaan: waar het hof een tweedeling maakte, lijkt de Hoge Raad voor de volledige schade de verjaringstermijn pas te laten lopen na einde van de gebrekkige toestand. Dat voorkomt ook dat er discussie kan ontstaan over de tweedeling (het hof achtte daarvoor een deskundige noodzakelijk). Dat oordeel van het hof was echter niet in cassatie aangevochten door de Parkeergarage en blijft in die zaak dus in stand. Het flatgebouw profiteert dus van het feit dat de Parkeergarage niet ook in cassatie was gegaan.