Zoeken
  1. Weigering vergunning wegens aannemelijkheid voorgenomen strijdig gebruik

Weigering vergunning wegens aannemelijkheid voorgenomen strijdig gebruik

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie o.a. de uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3538) dat bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts dient te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt concreet in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Het komt niet met grote regelmaat voor dat op deze grond een aangevraagde vergunning wordt geweigerd, reden waarom in deze bijdrage kort wordt stilgestaan bij dit verschijnsel aan de hand van een uitspraak van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1829).
Auteur artikelJasper Molenaar
Gepubliceerd26 juni 2018
Laatst gewijzigd26 juni 2018
Leestijd 

Veertien garageboxen
In voornoemde uitspraak is de weigering van een omgevingsvergunning onderwerp van geschil welke betrekking heeft op de realisatie van 14 garageboxen met een totale oppervlakte van 407 m² in Amsterdam.  Volgens het plan worden 9 garageboxen aan de linkerzijde van het perceel gebouwd en 5 garageboxen aan de rechterzijde van het perceel. Op het perceel is een onbewoonbaar verklaarde woning aanwezig. Dit gebouw is het hoofdgebouw op het perceel. Verder is het perceel een braakliggend terrein.

Het stadsdeel Nieuw-West heeft de vergunning geweigerd, omdat zij het beoogde gebruik in strijd acht met de bestemming “wonen” van het bestemmingsplan. De gebruiksregels van het bestemmingsplan bepalen dat de gronden uitsluitend ten dienste van de bestemming “wonen” mogen worden bebouwd. Daarnaast verbiedt het plan daarbij strijdig gebruik, waaronder de opslag en stalling van voertuigen. Uit de uitspraak maak ik op dat het Stadsdeel vermoedt dat de garageboxen in strijd met voornoemde regels bedrijfsmatig zullen worden verhuurd. De eigenaar/aanvrager, een Stichting, stelt daar tegen over dat zij voldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat het beoogde gebruik van de garageboxen een hobbymatig karakter heeft. De bestuurder van de Stichting is voornemens op het perceel te gaan wonen en de garageboxen te gebruiken ten behoeve van de stalling van zijn automobielen, antieke tractoren en dergelijke.

Geen concrete stappen
De Afdeling stelt vast dat de eigenaar ten tijde van het nemen van een besluit op het bezwaarschrift géén concrete stappen had ondernomen om op het perceel te kunnen gaan wonen en dat er voorlopig ook niet gewoond gaat worden, zodat de garageboxen feitelijk niet ten dienste kunnen staan aan het wonen door de eigenaar op het perceel. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat geen aanvraag is ingediend voor een omgevingsvergunning voor een nieuw te bouwen woning en evenmin duidelijk is op welke termijn dit gaat gebeuren. De overgelegde schetsen van de woning heeft de rechtbank terecht als onvoldoende concrete stap aangemerkt.

Voldoende twijfel
Volgens de Afdeling heeft het Stadsdeel mogen twijfelen aan het gestelde toekomstige hobbymatige gebruik van de garageboxen. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de gronden in eigendom zijn van de stichting, de aanvraag door deze stichting is gedaan en dat de stichting de kassen op het achterliggende perceel bedrijfsmatig als stallingen verhuurt. Gezien het statutaire doel van de stichting, te weten het verkrijgen en beheren van onroerend goed voor certificaathouders, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het Stadsdeel aannemelijk heeft mogen achten dat het bouwplan meer zal dienen als investering en eventuele bedrijfsmatige verhuur van de garageboxen dan dat invulling zal worden gegeven aan de woonbestemming van het perceel. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de stichting met de foto’s en de andere overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voertuigen waarvoor de garageboxen volgens de stichting zijn bedoeld volledig eigendom zijn van de bestuurder. Objectieve gegevens waaruit blijkt dat deze eigenaar is van die voertuigen, ontbreken. Het Stadsdeel heeft redelijkerwijs kunnen aannemen dat de garageboxen uitsluitend of mede zullen worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de woonbestemming voorziet, aldus de Afdeling.

Commentaar
Gelet op de statutaire doeleinden omschrijving had de Stichting natuurlijk al alle schijn tegen zich. Er zijn uiteraard ook gevallen waarin het voorgenomen strijdig gebruik, althans de twijfel hierover, minder evident is. In die gevallen is het goed om er van bewust te zijn dat een gerede twijfel aan het op papier beoogde gebruik al voldoende reden kan zijn om de aangevraagde vergunning te weigeren. In het bestuursrecht wordt voor wat betreft de bewijsvoering in beginsel uitgegaan van de vrije bewijsleer. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent geen (dwingend) wettelijk kader met betrekking tot de bewijsmiddelen en de bewijslastverdeling. Wel zijn hieruit een aantal regels van het bewijsrecht af te leiden. De onderzoeksplicht rust op het bestuursorgaan ( artikel 3:2 Awb en 7:11 Awb) en op de burger rust een informatieplicht (artikel 4:2 en 6:5 Awb).  Vanuit het bewijsrecht bezien hoeft het bevoegde gezag het voorgenomen strijdige gebruik slechts aannemelijk te maken. Het bevoegd gezag moet redelijkerwijs kunnen aannemen dat het betreffende bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de specifieke bestemming voorziet. In dat geval heeft de aanvrager al een probleem.

Wilt u meer weten hoe om te gaan met gevallen van voorgenomen strijdig gebruik? Neem contact op met Jasper Molenaar.