De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Aanspannen procedure jegens verzekeraar ondanks merkelijke schuld verzekerde

Aanspannen procedure jegens verzekeraar ondanks merkelijke schuld verzekerde

De Hoge Raad heeft op 6 april jl. uitspraak gedaan in de zaak van Grand Café Duka B.V. tegen Achmea over de vraag of het aanspannen van een procedure tegen de verzekeraar die weigert tot uitkering over te gaan, misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van de verzekerde kan inhouden. In opdracht van de verzekerde was namelijk brand gesticht en de verzekerde wist derhalve daardoor voorafgaand aan de procedure dat de vordering was gebaseerd op onjuiste feiten en omstandigheden. De Hoge...
Leestijd 
Auteur artikel Judith van der Winden-van der Vlies
Gepubliceerd 23 april 2012
Laatst gewijzigd 16 april 2018
 
De Hoge Raad heeft op 6 april jl. uitspraak gedaan in de zaak van Grand Café Duka B.V. tegen Achmea over de vraag of het aanspannen van een procedure tegen de verzekeraar die weigert tot uitkering over te gaan, misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van de verzekerde kan inhouden. In opdracht van de verzekerde was namelijk brand gesticht en de verzekerde wist derhalve daardoor voorafgaand aan de procedure dat de vordering was gebaseerd op onjuiste feiten en omstandigheden. De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is geweest van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.

Feiten

De feiten van deze zaak zijn, kort weergegeven, als volgt. Als vaststaand hebben de rechtbank en het hof aangenomen dat er op 16 februari 2004 brand is gesticht in Grand Café Duka door een neef van de enige bestuurder/aandeelhouder, na daartoe opdracht van die enige bestuurder/aandeelhouder te hebben gekregen. Dit is ook niet of onvoldoende door Duka betwist. Ten tijde van de brand had Duka circa EUR 500.000,- schulden bij de bank en de verhuurder van het bedrijfspand.

Duka  had een bedrijfsschadeverzekering afgesloten bij Achmea. Na een verhoging van het verzekerde bedrag voor de inventaris in december 2003 (dus twee maanden voor de brand) was de inventaris voor EUR 660.000,- en de bedrijfsschade voor EUR 450.000,- verzekerd.

Aangezien Achmea weigerde tot uitkering ter zake van de schade ten gevolge van de brand over te gaan, omdat er sprake was van merkelijke schuld van Duka, heeft Duka een procedure bij de rechtbank Den Haag aangespannen.

Vorderingen in conventie en reconventie

Duka heeft o.a. in de procedure een verklaring voor recht gevorderd dat Achmea gehouden is de schade te vergoeden die Duka heeft geleden ten gevolge van de brand. Achmea heeft op haar beurt in reconventie gevorderd dat Duka moet worden veroordeeld tot betaling van de daadwerkelijk door haar vanwege de procedure gemaakte kosten ten gevolge van wanprestatie of onrechtmatige daad van Duka jegens Achmea. De kosten die Achmea heeft gemaakt zijn in totaal EUR 72.767,06 en hebben betrekking op kosten in verband met het deskundigenonderzoek en de werkelijke proceskosten.

Rechtbank, hof en Hoge Raad

In eerste aanleg heeft de rechtbank de vordering van Duka afgewezen, omdat er sprake was van merkelijke schuld bij Duka. De vordering van Achmea is om die reden toegewezen door de rechtbank. Tegen dit vonnis heeft Duka appel ingesteld.

Hof Den Haag heeft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van Duka in stand gelaten, maar heeft wel de vordering van Achmea afgewezen. In dit geval zou volgens het hof niet kunnen worden gezegd dat het ontoelaatbaar was dat Duka haar feitelijke standpunt omtrent de brand verdedigde. Beide partijen hebben tegen dit oordeel cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft het oordeel van het hof in stand gehouden en heeft ten aanzien van de reconventionele vordering van Achmea benadrukt dat indien er zonder grond een procedure wordt ingesteld pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen wanneer vanwege de evidente ongegrondheid ervan in verband met de betrokken belangen van de wederpartij de procedure achterwege had behoren te blijven. De omstandigheid dat bewezen is geacht dat er sprake is geweest van brandstichting brengt niet zonder meer mee dat ook de vereiste mate van zekerheid is verkregen over het gestelde misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de procedure. In dat kader is terughoudendheid op zijn plaats. Het beroep van Achmea is verworpen.