Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Aansprakelijkheid asbestinventariseerder voor gemiste asbesthoudende materialen op systeemplafond – wel beroep op exoneratie

Aansprakelijkheid asbestinventariseerder voor gemiste asbesthoudende materialen op systeemplafond – wel beroep op exoneratie

Een asbestinventarisatiebureau dat rapporteerde dat er een volledig type A onderzoek was uitgevoerd, maar dat niet boven een systeemplafond in een winkel had gekeken omdat die winkel ten tijde van de inventarisatie in gebruik was, is volgens de Rechtbank Overijssel in beginsel aansprakelijk voor de vertragingsschade als gevolg van asbesthoudende materialen op dat systeemplafond. Wel is het beroep op de exoneratie in de algemene voorwaarden van het inventarisatiebureau gehonoreerd. De casus in...
Auteur artikelAnnet van Duijn
Gepubliceerd14 april 2016
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Een asbestinventarisatiebureau dat rapporteerde dat er een volledig type A onderzoek was uitgevoerd, maar dat niet boven een systeemplafond in een winkel had gekeken omdat die winkel ten tijde van de inventarisatie in gebruik was, is volgens de Rechtbank Overijssel in beginsel aansprakelijk voor de vertragingsschade als gevolg van asbesthoudende materialen op dat systeemplafond. Wel is het beroep op de exoneratie in de algemene voorwaarden van het inventarisatiebureau gehonoreerd. De casus in het vonnis van 16 maart 2016 was als volgt.

Casus
Een Coop supermarkt heeft een aannemer ingeschakeld voor het verrichten van verbouwwerkzaamheden. De aannemer heeft een asbestinventarisatiebureau ingeschakeld om een zogenaamd type A onderzoek als bedoeld in de SC-540 uit te voeren.

Kort gezegd, beperkt het type A onderzoek zich tot asbestbronnen die direct waarneembaar zijn of kunnen worden waargenomen met behulp van licht-destructief onderzoek.
Er zijn twee soorten type A onderzoeken: volledig of onvolledig. Van dat laatste is slechts sprake wanneer bepaalde ruimtes van een gebouw niet kunnen worden onderzocht of het gebouw nog in gebruik is ten tijde van de asbestinventarisatie.

In het onderhavige geval heeft de asbestinventariseerder in zijn rapport opgenomen dat er een volledige asbestinventarisatie type A heeft plaatsgevonden en dat de aangetroffen materialen asbestvrij zijn.

Vrijwel onmiddellijk na de start van de verbouwwerkzaamheden zijn er echter op de plafondplaten van het systeemplafond asbesthoudende materialen aangetroffen. Daardoor is het werk stilgelegd met de nodige vertragingsschade tot gevolg.
De aannemer heeft haar vordering op de inventariseerder aan de Coop gecedeerd die de inventariseerder in rechte heeft betrokken.

Op de overeenkomst tussen de aannemer en de inventariseerder zijn de algemene voorwaarden van de inventariseerder van toepassing verklaard die aansprakelijkheid voor het niet-ontdekken van asbesthoudende materialen uitsluit of in ieder geval beperkt tot EUR 2.500,--.

De Rechtbank
Na het aanhalen van de reikwijdte van een type A onderzoek zoals die volgt uit de SC-540 geeft de Rechtbank aan dat Coop ervan uit mocht gaan dat er geen sprake was van waarneembare asbest omdat het asbestinventarisatiebureau had gerapporteerd dat het een volledige asbestinventarisatie type A had uitgevoerd en daarbij geen asbestbronnen had waargenomen.

De Rechtbank stelt vast dat de asbest op de plafondplaten eenvoudig visueel had kunnen worden vastgesteld door een plafondplaat in de winkel op te tillen en dat er derhalve sprake was van direct waarneembaar asbest waarvoor geen destructief onderzoek nodig was.
Onder die omstandigheden had van de inventariseerder mogen worden verwacht dat die de plafondplaten had opgetild.
Voor zover dat niet mogelijk was omdat de winkel open was ten tijde van de inventarisatie, had de inventariseerder daarvan melding moeten maken in het eindrapport.

Kortom, nu het asbestinventarisatiebureau specifiek was ingeschakeld om een volledige asbestinventarisatie type A te verrichten en hij vervolgens heeft gerapporteerd dat geen asbest is gedetecteerd, zonder enig relevant voorbehoud te maken en zonder melding te maken van enige belemmering bij het onderzoek, terwijl er wel sprake was van asbest, heeft de inventariseerder volgens de Rechtbank in dit specifieke geval niet naar behoren gepresteerd. De Rechtbank neemt dan ook aansprakelijkheid van de inventariseerder aan.

Vervolgens beoordeelt de Rechtbank het beroep op de exoneratie in de algemene voorwaarden.
Het primaire beroep op een volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid slaagt niet; die bepaling raakt de essentie van de opdracht aan de inventariseerder en die opdracht mag niet vrijblijvend worden door aansprakelijkheid geheel uit te sluiten als die opdracht niet juist wordt uitgevoerd.

Wel blijft het beroep op de beperking tot EUR 2.500,-- in stand, nu niet is gebleken dat de inventariseerder zijn opdracht bewust roekeloos heeft uitgevoerd, terwijl de exoneratie niet ongebruikelijk is, zeker niet in gevallen waarin de verhouding tussen het honorarium voor de opdracht en de mogelijke gevolgen van een toerekenbare tekortkoming scheef kan zijn.

Commentaar
In het onderhavige geval zijn er geen systeemplafondplaten opgetild in het gedeelte van de winkel van de Coop dat nog in bedrijf was. Zou de inventariseerder dat wel hebben gedaan, dan zou het asbesthoudende materiaal visueel waarneembaar zijn geweest en dus gerapporteerd hebben moeten worden.

Door geen beperkingen in het inventarisatierapport te vermelden, terwijl in de SC-540 uitdrukkelijk de mogelijkheid is opgenomen te rapporteren dat sprake is van onvolledig onderzoek omdat bepaalde ruimtes niet toegankelijk zijn of nog in bedrijf zijn, had dit inventarisatiebureau zijn klant op het verkeerde been gezet. Aansprakelijkheid werd dan ook aangenomen.

De onderhavige casus verschilt van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2015 (dat ik in dit eerdere artikel besprak) in die zin dat toen steekproefsgewijs systeemplafondplaten zijn opgetild en die wijze van inspecteren voldoende werd geoordeeld om aan de inspanningsverplichting van een asbestinventarisatiebureau te voldoen.

Voor de praktijk van belang is verder uiteraard dat het beroep op de exoneratie stand houdt, juist vanwege het verschil tussen het honorarium en de potentiële schade. Daar zal menig vordering van een opdrachtgever uiteindelijk op stranden.