De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Afstemmingsregel geldt niet ten aanzien van verstekvonnis

Afstemmingsregel geldt niet ten aanzien van verstekvonnis

Als de bodemrechter uitspraak heeft gedaan, moet de kortgedingrechter die over hetzelfde geschil oordeelt, zijn beslissing in beginsel op het oordeel van de rechter in de bodemzaak afstemmen. Deze ‘afstemmingsregel’ geldt echter niet als het bodemvonnis bij verstek gewezen is, zo volgt uit een recent arrest van het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2020:1913).
Auteur artikel Robert Andes
Gepubliceerd 21 oktober 2020
Laatst gewijzigd 21 oktober 2020
Leestijd 

De afstemmingsregel

Een kort geding dient ertoe ordening aan te brengen in een (dreigend) geschil waarin een definitief oordeel van een bodemrechter niet kan worden afgewacht. De kortgedingrechter kan daartoe voorlopige voorzieningen treffen, maar doet dat op basis van een voorlopig oordeel. Hij stelt dus niet bindend de rechtsverhouding tussen partijen vast: dat is de taak van de bodemrechter.

Niet zelden loopt de bodemprocedure al op het moment dat de voorzieningenrechter uitspraak doet in een kort geding. Als de bodemrechter al een uitspraak heeft gedaan, moet de rechter in kort geding zijn beslissing in beginsel op die uitspraak afstemmen – ook als inmiddels hoger beroep tegen die uitspraak is ingesteld. De ratio van deze afstemmingsregel is door de Hoge Raad als volgt verwoord:

“Aan deze "afstemmingsregel" ligt ten grondslag dat de rechtsverhouding tussen partijen in een contradictoir gevoerde civiele bodemprocedure, anders dan in kort geding, zo nodig na bewijslevering en rapportage door deskundigen, in beginsel bindend tussen partijen wordt vastgesteld, afgezien van de mogelijkheid daartegen een rechtsmiddel in te stellen.”

De achterliggende procedure

Een hoogopgelopen conflict tussen de aandeelhouders van een Rotterdams transportbedrijf heeft geleid tot een breed scala aan allerhande rechtszaken. Voor nu zijn twee procedures van belang. Ten eerste heeft de ene aandeelhouder (in het arrest aangeduid als ‘Z’) in een bodemprocedure een aansprakelijkheidsvordering ingesteld tegen een andere aandeelhouder (aangeduid als ‘X’). In deze bodemprocedure heeft X geen verweer gevoerd; hij heeft verstek laten gaan.

Zoals gebruikelijk in verstekzaken heeft de bodemrechter de vordering van Z integraal toegewezen. In het verstekvonnis staat dat X onrechtmatig heeft gehandeld en dus aansprakelijk is voor de schade die Z heeft geleden. Daarnaast loopt een kortgedingprocedure tussen X en Z die inmiddels in hoger beroep is aanbeland. De vraag is nu of de voorzieningenrechter zijn oordeel moet afstemmen op het verstekvonnis in de bodemzaak.

Het arrest

De appelrechter stelt voorop dat hij – omdat nog steeds sprake is van een kort geding – alleen voorlopige oordelen kan geven. Toch acht het hof zich niet gebonden aan de uitspraak in de bodemzaak, omdat het ‘slechts’ gaat om een verstekvonnis. Als de afstemmingsregel toegepast zou worden, vervolgt het gerechtshof, “zou een bij verstek veroordeelde partij een effectieve toegang tot de rechter in kort geding worden onthouden.” En dat kan niet de bedoeling zijn. Het gevolg: de appelrechter is niet gebonden aan het oordeel dat X onrechtmatig heeft gehandeld en kan dus naar eigen inzicht kan oordelen over de voorliggende vordering.

Voor zover ik heb kunnen nagaan is het voor het eerst dat een rechter expliciet oordeelt dat de afstemmingsregel niet geldt ten aanzien van een verstekvonnis. Dat laat onverlet dat de overweging van het hof me juist lijkt. Als een vonnis bij verstek is gewezen, is immers geen sprake van een ‘contradictoir gevoerde bodemprocedure’; het oordeel van de rechter over de rechtsverhouding tussen partijen is slechts gebaseerd op de dagvaarding en niet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en zo nodig bewezen. De voorzieningenrechter hoeft dat oordeel dus niet zonder meer voor waar aan te nemen.

Al met al dus een begrijpelijk oordeel van het Haagse hof. Voor aandeelhouder X mocht een en ander overigens niet baten: ook op basis van een eigen (voorlopige) beoordeling meende de appelrechter dat X onrechtmatig had gehandeld.

Heeft u een civiele appel- of cassatiezaak waar u ondersteuning bij nodig heeft, of heeft u procesrechtelijke vragen, neem dan contact op met een van de leden van het cassatie- en procesrechtteam van Dirkzwager Legal & Tax: Tom van Malssen (cassatieadvocaat), Margo Hengeveld of Robert Andes.