Zoeken
  1. Bank heeft geen zorgplicht jegens aannemer bij overkreditering van diens opdrachtgever

Bank heeft geen zorgplicht jegens aannemer bij overkreditering van diens opdrachtgever

Een aannemer heeft een vordering op één van zijn opdrachtgevers. Deze opdrachtgever biedt echter geen verhaal omdat (volgens de aannemer) de bank van deze opdrachtgever hem een te hoge financiering heeft verstrekt (er zou sprake zijn van ‘overkreditering’). Kan deze aannemer zijn schade verhalen op de bank?Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht met zich mede brengt. Deze zorgplicht strekt zich niet alleen uit jegens de contractsp...
Auteur artikelFloris Pels Rijcken (uit dienst)
Gepubliceerd11 maart 2015
Laatst gewijzigd11 maart 2015
Leestijd 
Een aannemer heeft een vordering op één van zijn opdrachtgevers. Deze opdrachtgever biedt echter geen verhaal omdat (volgens de aannemer) de bank van deze opdrachtgever hem een te hoge financiering heeft verstrekt (er zou sprake zijn van ‘overkreditering’). Kan deze aannemer zijn schade verhalen op de bank?

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht met zich mede brengt. Deze zorgplicht strekt zich niet alleen uit jegens de contractspartners van de bank, maar ook jegens derden. De bank hoort met de belangen van deze derden rekening te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van deze zorgplicht hangt af – zoals wel vaker in het recht – van de omstandigheden van het geval.  Onlangs heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich over dit onderwerp uitgelaten.

Feiten
A koopt een woning en sluit hiervoor een lening af bij bank Y. Als zekerheid voor deze lening verkrijgt Y een eerste recht van hypotheek.  A wenst zijn net verworven woning te verbouwen en sluit hiertoe aan overeenkomst met aannemer X. A komt nadien in financieel zwaar weer te verkeren en kan zijn betalingsverplichtingen aan Y niet meer voldoen. Dit leidt uiteindelijk tot het faillissement van A. Het faillissement eindigt in een akkoord. Op grond van dit akkoord krijgen de concurrente schuldeisers 15% van hun oorspronkelijke vordering voldaan.  Aannemer X betrekt vervolgens bank Y in een procedure en vordert een verklaring voor recht dat bank Y jegens haar aansprakelijk is voor de geleden schade.

Juridisch kader
Volgens aannemer X heeft bank Y haar zorgplicht jegens derden geschonden door (onder andere) een te hoge financiering te verstrekken (‘overkreditering’).

Aangezien X niet in een contractuele verhouding staat met bank Y is de vordering van X gebaseerd op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Eén van de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is het vereiste van relativiteit (artikel 6:163 BW). Dit vereiste houdt in dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, indien de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals die door de benadeelde is geleden.

Op dit relativiteitsvereiste strandt de vordering van A. Het Hof oordeelt (gelijk aan de rechtbank in eerste aanleg) dat de norm “die overkreditering verbiedt strekt tot bescherming van degene aan wie de financiering wordt verstrekt (…) [in dit geval A; toevoeging Dirkzwager] en niet bedoeld is voor de bescherming van derden met wie de bank geen enkele band heeft, zoals willekeurige crediteuren [in dit geval Aannemer X; toevoeging Dirkzwager] van de kredietnemer (…)

Het voorgaande kan anders zijn in bijzondere omstandigheden. In het arrest van de Hoge Raad Mees Pierson/Ten Bos blijkt dat een uitzondering gemaakt kan worden als het gaat om de minderjarige dochters van de cliënt (als nauw gerelateerde derden).

Conclusie
Een bank die een financiering verstrekt heeft een zorgplicht jegens haar contractspartners (de kredietnemer). Deze zorgplicht strekt zich tevens uit tot nauw (aan de kredietnemer) gerelateerde derden. Een willekeurige derde/schuldeiser behoort niet tot die groep. Het is dus van belang om de kredietwaardigheid van een (toekomstige) schuldenaar zelfstandig te toetsen en niet blind te varen op de toets van een bank die reeds een financiering heeft verstrekt. Een willekeurige schuldeiser van de kredietnemer kan immers geen rechten aan deze toets ontlenen!