De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Beantwoording Kamervragen over het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

Beantwoording Kamervragen over het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

Art. 7j lid 1 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Uitvoeringsbesluit) wijst enkele gemeenten aan die - bij wijze van experiment - voor een periode van 15 jaar vergunningsvrij zonnevelden mogelijk kunnen maken. De gemeenten die aan dit experiment meedoen zijn de gemeenten Heerhugowaard, Hoorn, Koggenland, Leeuwarden, Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Peel en Maas. Op initiatief van deze gemeenten is het experiment ontstaan, aangezien de invulling van bedrijventerreinen in deze gemeenten achterbleef bij de verwachtingen. Op deze manier kunnen gemeentelijke verliezen beperkt worden en kan een bijdrage aan duurzaamheid worden geleverd door de gronden tijdelijk voor zonnepanelen te gebruiken.
Auteur artikelJasper Molenaar
Gepubliceerd21 februari 2020
Laatst gewijzigd21 februari 2020
Leestijd 

Het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Ontwerpbesluit) beoogt onder meer te wijzigen dat de termijn voor het vergunningsvrij mogelijk maken van zonnevelden van 15 jaar wordt vervangen door een termijn van 30 jaar. Bovendien wordt aan art. 8 van het Uitvoeringsbesluit “de opwekking van duurzame energie (…)” toegevoegd, waardoor de experimentele projecten onder art. 2.9 van de Crisis- en Herstelwet vallen. Hierdoor is het mogelijk bouwprojecten versneld uit te voeren.
Met betrekking tot het Ontwerpbesluit wordt een vijftal Kamervragen gesteld die op 17 februari 2020 zijn beantwoord. Zie hieronder een korte weergave van vraag en antwoord, zie de website van de Rijksoverheid voor een uitgebreidere versie.

Vraag 1: tijdelijke karakter en daadwerkelijk gebruik van de experimentele mogelijkheid


Als eerste wordt gevraagd hoe een periode van 30 jaar zich verhoudt tot het “tijdelijk” gebruik van gronden voor zonnepanelen en in welke mate experimenten in de gemeenten reeds zijn gestart.
De Kamer antwoordt dat de gemeenten Koggenland en Hoorn hebben ervoor gekozen momenteel geen gebruik te maken van het experiment. Bovendien houdt de term “tijdelijk” in dat de toestemming om de gronden te benutten voor zonnevelden na genoemde periode ophoudt. Dit in tegenstelling tot een reguliere bestemming die geen einddatum kent. Voor initiatiefnemers en voor bewoners is er door deze tijdelijkheid duidelijkheid over de eindigheid van het initiatief en daarmee over de periode waarin de bestemming mogelijk is.

Vraag 2: levensduur zonnepanel en innovatie


De tweede vraag ziet op het feit dat door de Kamer is gerapporteerd dat de termijn van 15 jaar te kort is voor een gunstige exploitatie van de zonnevelden. Zij menen dat zonnepanelen over het algemeen geen 30 jaar meegaan en dat er vaak binnen 15 jaar innovaties zijn die vervanging wenselijk maken.
De Kamer geeft aan dat op verzoek van de deelnemende gemeenten is voorgesteld de termijn voor de tijdelijke bestemming te verdubbelen van 15 naar 30 jaar, aangezien het rendement op de zonnepalen forst toeneemt als de hele levensduur van de panelen kan worden benut. Bedrijven bepalen zelf of ze het wenselijk vinden om de zonnepanelen te vervangen voor meer innovatieve panelen. Aangezien de investering van de panelen zal moeten worden terugverdiend, zullen de meeste bedrijven ervoor kiezen de panelen niet te vervangen door meer innovatieve zonnepanelen.

Vraag 3: Zonneladder


Ook vraagt de CDA-fractie zich af of bij de aanleg van de zonnepanelen de afweging plaatsvindt dat bestaande beschikbare daken de voorkeur verdienen om met zonnepanelen belegd te worden, de zogeheten “Zonneladder”. De Kamer geeft aan dat met gemeenten en provincies is afgesproken dat zij rekening houden met de Zonneladder. Een gemeente moet in de toelichting bij het bestemmingsplan motiveren waarom gekozen is voor de aanleg van een zonneveld.

Vraag 4: toevoeging aan lijst met projecten waarbij versnelde uitvoering mogelijk is


De leden van de CDA-fractie vragen of projecten waar geen of nauwelijks sprake is van woningbouw, maar wel van forse energieprojecten, ook onder het bereik van art. 8 van het Uitvoeringsbesluit vallen. De fractieleden zijn van mening dat dit niet zo zou moeten zijn, aangezien er geen effect is op de realisatie van woningen.
De Kamer geeft aan dat met dit experiment voor een aantal provincies en gemeenten een tweetal maatregelen wordt genomen waarmee de netbeheerder de transportcapaciteit voor duurzaam opgewekte elektriciteit toch kan vergroten. Het gaat vaak om landelijke gebieden buiten de bebouwde kom, waar veel (toekomstig) aanbod is van zonne-energie, maar waar weinig vraag naar energie is aangezien het gaat om relatief dunbevolkte gebieden. Bovendien is er vaak sprake of dreiging van congestie van de transportcapaciteit van duurzaam opgewerkte energie. De lijst is uitgebreid aangezien veel provincies en gemeentes deze congestieproblemen (op korte termijn zullen) hebben. Hoewel het experiment geen direct effect heeft op de realisatie van woningen, draagt het wel bij aan het realiseren van de verduurzaming van de energievoorziening.

Vraag 5: Europese regelgeving


Tot slot wordt gevraagd of de ruimte van de Europese regelgeving volledig wordt benut, of dat het nog mogelijk is om in Artikel II inzake het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling nog verdergaande vrijstellingen te introduceren.
De Kamer geeft aan dat er geen sprake is van vrijstellingen, maar dat de ruimte van de Richtlijn betreffende de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna: SMB-richtlijn) ten volle wordt benut. Bij deze experimentele gevallen kan namelijk een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd in plaats van direct een plan-mer. Als uit die beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieueffecten zijn, hoeft geen plan-mer opgesteld te worden. De SMB-richtlijn richt zich op plannen die wel aanzienlijke milieugevolgen hebben, de experimentele gevallen waar het om gaat vallen dus buiten de reikwijdte van de richtlijn.