Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Certificerende instelling niet aansprakelijk voor ontbreken adequate verzekering bij asbestsaneringsbedrijf

Certificerende instelling niet aansprakelijk voor ontbreken adequate verzekering bij asbestsaneringsbedrijf

Een certificerende instelling behoeft niet op te komen voor het onvoldoende verzekerd zijn van een asbestsaneerder die een verontreiniging heeft veroorzaakt. De ‘adequate verzekering’ die destijds in de SC-530 was voorgeschreven, strekt uitsluitend ter bescherming van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s van het werken met asbest, en niet ter bescherming van het risico van de opdrachtgever op insolventie van de saneerder.
Auteur artikelAnnet van Duijn
Gepubliceerd15 augustus 2018
Laatst gewijzigd15 augustus 2018
Leestijd 

Voorgeschiedenis

Een asbestverontreiniging in een aantal loodsen als gevolg van een asbestsanering heeft tot diverse gerechtelijke procedures geleid.

 

Eerder schreef ik in dit artikel al over het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 25 april 2018, waarin is geoordeeld dat er geen dekking onder de milieuschadeverzekering van de opdrachtgever van de asbestsanering bestond, omdat de asbestdeeltjes bij de sanering niet onvoorzien zijn vrijgekomen.

 

Wel zijn, bij vonnissen van 20 april 2016 en 25 januari 2017 van de Rechtbank Gelderland, de hoofdaannemer en de onderaannemer die de sanering daadwerkelijk had uitgevoerd, veroordeeld tot vergoeding van de schade van de opdrachtgever wegens een toerekenbare tekortkoming in de uitvoering van de asbestsanering. In die procedures is ervan uitgegaan dat de verontreiniging is ontstaan doordat er asbestdeeltjes die van de daken op de beschermende folie in de loodsen waren gevallen, bij het weghalen van de folie door de loodsen zijn verspreid.

 

De hoofdaannemer heeft een schikking met de opdrachtgever getroffen.

De onderaannemer bleek geen of onvoldoende verhaal te bieden omdat hij niet beschikte over een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven.

 

Om die reden is de hoofdaannemer, die het schikkingsbedrag had willen verhalen op de onderaannemer, vervolgens een procedure gestart tegen Normec (voorheen: Eerland), de certificerende instelling die het procescertificaat asbestverwijdering conform de toenmalige SC-530 aan de onderaannemer had verstrekt.

 

De Rechtbank Gelderland heeft in dit recent gepubliceerde vonnis van 21 maart 2018 geoordeeld dat regres op de certificerende instelling niet mogelijk is, omdat niet is voldaan aan het zogenoemde relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW.

 

De procedure bij de Rechtbank Gelderland

De verwijten aan de certificerende instelling

De hoofdaannemer stelt zich op het standpunt dat de certificerende instelling ten onrechte een procescertificaat asbestverwijdering aan de onderaannemer heeft verstrekt, omdat die niet verzekerd was tegen aansprakelijkheid. Ten tijde van de in het kader van de certificering te houden audits was er alleen een offerte aanwezig voor het sluiten van een schadeverzekering voor asbest. De certificerende instelling heeft verzuimd om te controleren of de onderaannemer nadien daadwerkelijk een verzekering had afgesloten. Volgens de hoofdaannemer levert dat een schending van de wettelijke (zorg)plicht van de certificerende instelling op, nu in de SC-530 is voorgeschreven dat een asbestsaneringsbedrijf adequaat verzekerd dient te zijn.

 

Het verweer van de certificerende instelling

De certificerende instelling stelt dat, als zij al gehouden zou zijn om te controleren of er daadwerkelijk een aansprakelijkheidsverzekering was afgesloten, de betreffende norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de hoofdaannemer die heeft geleden.

 

Het oordeel

De Rechtbank is met de certificerende instelling van oordeel dat de beweerdelijk geschonden norm niet strekt tot bescherming van de belangen van de hoofdaannemer, die wordt geconfronteerd met een insolventierisico van zijn onderaannemer.

Gelet op de in de SC-530 genoemde ‘Werkveldspecifieke kenmerken’ komt de Rechtbank tot het oordeel dat de verzekeringsplicht uitsluitend strekt tot bescherming van veiligheids- en gezondheidsrisico’s van en rondom de arbeid. Omdat daarmee niet is voldaan aan het zogenoemde relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW, wordt de vordering afgewezen.

 

Commentaar en conclusie

De toepasselijke regelgeving

Ten tijde van de certificering van de onderaannemer was de zogenoemde SC-530 uit 2011 voor asbestsaneringsbedrijven van toepassing. Parallel daaraan bestond de SC-540 voor asbestinventarisatiebureaus.

Formeel betroffen het de Bijlagen XIIIb en XIIIa bij art. 4.27 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Dat verklaart waarom de Rechtbank Gelderland het toepassingsbereik van de norm heeft beperkt tot de risico’s voor gezondheid en veiligheid van en rondom de arbeid: het certificatieschema – en dus ook de daarin opgenomen verzekeringsplicht – is opgesteld in verband met de arbeidsomstandigheden voor werknemers in de asbestbranche.

 

De eisen waaraan asbestinventarisatiebureaus en asbestverwijderingsbedrijven moesten voldoen om

een procescertificaat te verkrijgen, waren dermate overlappend dat besloten is de twee afzonderlijke

regelingen samen te voegen tot één ‘Werkveldspecifiek certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering’ dat is opgenomen in Bijlage XIIIa bij art. 4.27 van de Arbeidsomstandighedenregeling. De nieuwe regeling geldt sinds 1 maart 2017.

De aanduidingen SC-540 en SC-530 zijn daarmee achterhaald, maar zo ingeburgerd dat in de

Toelichting op Bijlage XIIIa is opgenomen dat het bedrijven vrijstaat de termen te blijven hanteren.

 

De verzekeringsplicht

Om als asbestsaneringsbedrijf (of als asbestinventarisatiebureau) gecertificeerd te kunnen worden, moet worden voldaan aan de vereisten uit het certificatieschema. Eén daarvan betreft de plicht om een verzekering af te sluiten.

 

In art. 7.4 van de SC-530 uit 2011 was bepaald dat het bedrijf voor haar dienstverlening ‘adequaat verzekerd’ diende te zijn.

De voorloper uit 2007 vermeldde in art. 5.4 nog dat het bedrijf voor haar dienstverlening een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering met een minimaal verzekerd bedrag van EUR 1,25 miljoen per gebeurtenis diende te hebben afgesloten.

In art. 24 lid 6 van de huidige regeling is slechts in algemene zin voorgeschreven dat het asbestverwijderingsbedrijf tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd dient te zijn voor risico’s die voortvloeien uit zijn werkzaamheden. Uit de Toelichting op de huidige regeling blijkt dat niet is beoogd af te wijken van art. 7.4 van de SC-530.

 

Wat precies onder een (adequate) verzekering voor de risico’s die voortvloeien uit de werkzaamheden/de dienstverlening van een asbestverwijderingsbedrijf moet worden verstaan, is vanuit de wetgever niet concreet omschreven. De koppeling met (werkgevers)aansprakelijkheid voor asbestblootstelling ligt voor de hand, omdat de regeling nu eenmaal onderdeel uitmaakt van de Arbeidsomstandighedenwetgeving.

 

Slotopmerking

De Rechtbank Gelderland heeft, vanwege het geslaagde beroep op art. 6:163 BW, in het midden gelaten óf de certificerende instelling had moeten controleren of het asbestsaneringsbedrijf dat een certificering aanvroeg, over een verzekering beschikte. Ik zou menen dat dat wel tot de taak van de certificerende instelling behoort, met name wanneer het niet om hercertificering maar om een eerste aanvraag van een certificaat gaat.

Wel geldt in zijn algemeenheid dat een toezichthouder de vrijheid heeft om de beperkte middelen die hij heeft, naar eigen inzicht in te zetten. Een rechter kan die beleidsvrijheid slechts marginaal toetsen.