Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. De aansprakelijkheid van een werkgever voor nalaten van het afsluiten van een behoorlijke verzekering is gedekt onder de AVB-polis (II)

De aansprakelijkheid van een werkgever voor nalaten van het afsluiten van een behoorlijke verzekering is gedekt onder de AVB-polis (II)

Op 26 maart 2013 (LJN BZ8563) heeft het hof Amsterdam arrest gewezen: het vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2012, LJN BV1295. In dit laatstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad kort gezegd geoordeeld dat in beginsel dekking bestaat onder een AVB-polis wanneer een werkgever geen behoorlijke verzekering heeft afgesloten voor een werknemer die een verkeersongeval is overkomen. Hierover is al eerder op deze pagina een artikel verschenen.Uiteindelijk kwam de Hoge Raad op 30 maart 20...
Auteur artikelSanne Rutten (uit dienst)
Gepubliceerd03 mei 2013
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Op 26 maart 2013 (LJN BZ8563) heeft het hof Amsterdam arrest gewezen: het vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2012, LJN BV1295. In dit laatstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad kort gezegd geoordeeld dat in beginsel dekking bestaat onder een AVB-polis wanneer een werkgever geen behoorlijke verzekering heeft afgesloten voor een werknemer die een verkeersongeval is overkomen. Hierover is al eerder op deze pagina een artikel verschenen.

Uiteindelijk kwam de Hoge Raad op 30 maart 2012 tot vernietiging van een op 16 november 2010 door het hof Den Haag gewezen arrest. Het geding werd door de Hoge Raad naar het hof Amsterdam verwezen ter verdere behandeling en beslissing. In dit artikel zal ik kort ingaan op het arrest van het hof Amsterdam van 26 maart 2013 (LJN BZ8563).

Nationale-Nederlanden heeft in de procedure bij het hof Amsterdam (ondanks het al eerder gegeven oordeel van de Hoge Raad) nog getracht het hof tot een ander oordeel te krijgen. Helaas is dit niet gelukt. Zij heeft aangevoerd dat de Onderlinge zelf ook een verzekeringsmaatschappij is en dat zij er daarom niet op mocht vertrouwen dat de werkgeversaansprakelijkheid ex artikel 7:611 BW (voor het niet afsluiten van een behoorlijke verzekering) gedekt was.

Het hof overweegt allereerst dat in het midden kan blijven of de bij dit betoog aangevoerde feitelijke stellingen in dit stadium van de procedure nog aan de orde kunnen komen, want het betoog van Nationale-Nederlanden gaat volgens het hof sowieso niet op:

De hoedanigheid van de Onderlinge als verzekeraar en haar wetenschap, kennis, deskundigheid en gedragingen op het gebied van aansprakelijkheidsverzekeringen leggen onvoldoende gewicht in de schaal om de slotsom te kunnen rechtvaardigen dat van de hiervóór omschreven uitleg moet worden afgeweken. Hierbij is van belang dat de uitleg van artikel 19 met name afhankelijk is van objectieve factoren, waartoe de door Nationale-Nederlanden genoemde argumenten niet behoren. In overeenstemming hiermee heeft de Hoge Raad in rov. 4.4 van zijn arrest niet verwezen naar de verwachtingen van de betrokken verzekerde, maar naar de verwachtingen van verzekerden in het algemeen, gebaseerd op de functie die een AVB-polis in het maatschappelijk verkeer vervult. Nu voor het overige geen redenen voor een andersluidend oordeel zijn gesteld of gebleken, moet van de hiervóór omschreven uitleg van de AVB-polis worden uitgegaan.

In rechtsoverweging 2.7 komt het hof (in lijn der verwachting) tot het oordeel dat het vorenstaande met zich brengt dat de AVB-polis in dit geval dekking biedt voor de aansprakelijkheid van de Onderlinge tegenover het slachttoffer vanwege het tekortschieten in de nakoming van de op artikel 7:611 BW gebaseerde verzekeringsverplichting.