Zoeken
  1. De klachtplicht kan in de weg staan aan een beroepsaansprakelijkheidsvordering op de oud-advocaat

De klachtplicht kan in de weg staan aan een beroepsaansprakelijkheidsvordering op de oud-advocaat

Een recent arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt dat tijdsverloop in combinatie met een schending van een rechtmatig belang (in dit geval: eventuele bewijsnood) ertoe kan leiden dat een ex-cliënt geen beroep kan doen op zijn (eventuele) vordering jegens zijn voormalig advocaat. De klachtplicht kan daaraan in de weg staan. Advocaten doen er goed aan dit belangrijke verweermiddel goed voor ogen te houden.
Artikel | 30 januari 2019 | Daan Baas

Klachtplicht bij beroepsaansprakelijkheid

In eerdere KP-blogs hebben wij al geduid dat het beroep op schending van de klachtplicht ex art. 6:89 BW de laatste jaren een vlucht heeft genomen en dat advocaten niet moeten vergeten hier in het voorkomende geval een beroep op te doen. De in art. 6:89 BW neergelegde klachtplicht luidt:

De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.”

Schending van de klachtplicht leidt tot verval van recht. De bepaling vormt aldus een toepassing van de zogenaamde ‘rechtsverwerking’ (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid). De strekking is de schuldenaar die een prestatie heeft verricht te beschermen, omdat hij erop moet kunnen rekenen dat een schuldeiser tijdig protesteert indien deze een gebrek in de geleverde prestatie heeft ontdekt of heeft kunnen ontdekken. De klachttermijn gaat lopen vanaf het moment dat de schuldeiser het gebrek heeft ontdekt of had moeten ontdekken.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: geslaagd beroep op klachtplicht

In zijn arrest van 15 januari 2019 lag opnieuw de vraag voor of een advocaat in een beroepsaansprakelijkheidskwestie een beroep op de klachtplicht toekwam.

De voormalige cliënt meende dat sprake was van een beroepsfout door een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst is te dienen, zonder rekening te houden met de gevolgen voor zijn pensioenopbouw.

Net als de rechtbank oordeelt het hof dat sprake is van schending van de klachtplicht, aangezien er een tijdsverloop van meer dan drie jaar is tussen het moment waarop de ex-cliënt het gebrek in de prestatie redelijkerwijs had moeten ontdekken en het moment waarop hij heeft geprotesteerd.

Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de onderzoeks- en klachtplicht, dient acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie.

Voor de onderhavige zaak is verder van belang dat de gehoudenheid om de ontvangen prestatie op deugdelijkheid te onderzoeken niet alleen ziet op de vraag of een dergelijk onderzoek dient plaats te vinden maar ook op de vraag in welke vorm en met welke mate van intensiteit en voortvarendheid het onderzoek moet worden uitgevoerd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de vereiste mate van voortvarendheid wat betreft de onderzoeksplicht zal afhangen van de mate waarin de schuldeiser op de juistheid van de prestatie mag vertrouwen, de mate van deskundigheid van schuldenaar en schuldeiser en de ingewikkeldheid van het onderzoek. Bij de bepaling of een klacht over een gebrek als te laat ingediend dient te worden beschouwd, is ten slotte mede in aanmerking te nemen of dan wel in welke mate de belangen van de schuldenaar zijn geschaad door het tijdstip waarop de klacht is ingediend.

In dit geval had van de ex-cliënt mogen worden verwacht dat hij al in 2012 (toen zijn pensioenschade bekend werd) voortvarend te werk zou gaan. In plaats daarvan heeft hij lang stilgezeten, terwijl de belangen van de advocaat door dit tijdsverloop zijn geschaad. Dat is er o.a. in gelegen dat hij inmiddels het oude dossier heeft vernietigd (met inachtneming van de bewaartermijn), zodat hij eventueel benodigd (tegen)bewijs niet meer kan leveren.

Ten overvloede oordeelt het hof overigens dat een beroepsfout ook in het andere geval niet was komen vast te staan.

Conclusie

Een recent arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt dat tijdsverloop in combinatie met een schending van een rechtmatig belang (in dit geval: eventuele bewijsnood) ertoe kan leiden dat een ex-cliënt geen beroep kan doen op zijn (eventuele) vordering jegens zijn voormalig advocaat. De klachtplicht kan daaraan in de weg staan. Advocaten doen er goed aan dit belangrijke verweermiddel goed voor ogen te houden.